Unknown-17ELS BEERTENvdi9789045116754


ALLEMAAL WILLEN WE DE HEMEL

 en

 EÉN MENS IS GENOEG

‘Wat als je iets onderneemt, in volle overtuiging dat je goed bezig bent, maar het draait verkeerd uit? De maatschappij veroordeelt je, je hebt erge dingen op je geweten… Hoe gaat het dan? Ik moest dat echt weten.’ zegt de Vlaamse Els Beerten over de totstandkoming van Allemaal willen we de hemel.

Het boek speelt zich af in België tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De vier vertellers zijn Jef (onze Jef), zijn zus Renée, hun jongere broertje Remi en Ward (een vriend van Jef en het liefje van Renée, die naar het oostfront vertrekt om aan de zijde van de Duitsers te vechten tegen de Russen). Jef leeft na de oorlog als held, Ward als verrader. De grens tussen goed en fout blijkt echter pijnlijk dun.
Hoewel Beerten niet van plan was over de Tweede Wereldoorlog te schrijven, had ze het oorlogsdecor nodig om haar personages – die zelf zo dagelijks zijn als jij en ik – te dwingen keuzes te maken die verregaande gevolgen hebben. De oordeelloosheid waarmee ze over deze keuzes schrijft is groots. Zelf zegt ze hierover dat ze, hoezeer ze ook in de huid van haar personages kroop, tot de slotsom moest komen dat ze het antwoord op de vraag of het leefbaar is om zoiets slechts op je geweten te hebben schuldig moest blijven. Eenvoudigweg omdat ze de oorlog zelf niet meemaakte en niet voor vergelijkbare extreme keuzes is komen te staan. Die conclusie gaf Beerten – zoals ze dat zelf zo mooi zegt – schroom om te oordelen over mensen die dingen doen waar ze het niet mee eens is. Allemaal willen we immers het beste… de hemel. Niemand is helemaal goed, niemand helemaal slecht. Het grote gelijk bestaat niet, Allemaal willen we de hemel is een verhaal van nuances. Het is enkel de afschuwelijke oorlog zelf die door Beerten veroordeeld wordt. 
Haar vertelling en taalgebruik zijn meeslepend, zó dat het nog dagen na blijft sudderen. Het nodigt uit om met andere ogen naar de complexe werkelijkheid te kijken, na te denken over goed en kwaad, waarheid en leugen, over loyaliteit, liefde, vriendschap en verraad. Heel wat dus.
Allemaal willen we de hemel won in Nederland en België ongeveer alles wat er te winnen valt voor een young adult.

In 2014 – zes jaar na Allemaal willen we de hemel – verscheen Eén mens is genoeg. Dat het zo lang duurde, vertelt meteen wat over het onderwerp van het boek. De dag dat Beerten het manuscript van Allemaal willen we de hemel inleverde werd haar oudste zoon ernstig ziek. Een maand lang zweefde hij tussen leven en dood. De dokters begrepen er niets van en konden haar niet geruststellen: ‘Ik heb altijd gedacht: als er iets met mijn kinderen gebeurt, dat overleef ik niet. Maar ik ontdekte dat ik het aankon. Dat moest ook, want daar lag hij op de intensive care, hoe konden wij dan uiteenvallen?‘. Haar zoon werd gelukkig beter, maar alles wat was gebeurd moest een plaats krijgen. Zo ontstond het verhaal over Juliette en Wilfried. Allebei zitten ze vast, hebben ze hun leven geparkeerd (‘Ge kunt nog zoveel willen, als ge de wereld tegen hebt, dan loopt ge vast. En ik ben vastgelopen.’).

Het eerste deel wordt verteld door Juliette. Na de dood van haar geliefde vader en het vertrek van haar broer Louis – die houdt het niet meer vol onder een dak te leven met hun heerszuchtige moeder (‘Zoveel circus in één mens, het is om rillingen van te krijgen’) – verandert haar leven voorgoed. Het tweede deel laat Wilfried aan het woord. Een wielertalent wiens fiets al vijf jaar boven de toog van zijn café hangt te verroesten. Hij verliest zijn hart aan Julliette, is vasthoudend, maar te besluiteloos en angstig om haar te bereiken (‘Drie uur lang bijna opbranden van de goesting. Zelfs uw grootste vijand wenst ge het niet toe.’). In het derde en laatste deel komen Juliette en Wilfried om en om aan het woord. En hoewel je Juliette en Wilfried af en toe wel in elkaars armen zou willen schreeuwen, is het juist het rekken van de plot wat raakt. Els Beerten zegt hierover: ‘Regelmatig dacht ik: allez, pak u zelf bijeen!’ Maar Wilfried is nu eenmaal onzeker en mist net dat tikkeltje ruggengraat.
Wat Beerten in dit boek wil laten zien, is haar overtuiging dat de mens in zijn donkerste momenten tot veel meer in staat is dan hij vermoedt. ‘Want was dat niet zo, dan was de wereld immers allang gestopt met draaien.’ Of zoals juffrouw Marcella tegen Juliette zegt: ´Ge zijt altijd sterker dan ge denkt.´