Boekwijzer

Op dinsdag 27 januari 2014 sprak ik af met Marco Kunst, schrijver van Kroonsz, waar ik eerder een blog over schreef.

Rond 11 uur troffen we elkaar en pakte ik er – ietwat zenuwachtig, het is per slot van rekening mijn eerste interview voor Boekwijzer – mijn vragenlijstje bij.

Mijn zenuwen verdwenen snel. Marco was aardig en had veel verhalen te vertellen…

Na je studietijd in Utrecht gaf je les over ‘de aard van creatieve processen’. Je hebt acht jaar besteed aan Kroonsz, dat lijkt een lange tijd. Hoe gaat zo’n creatief proces bij jou in zijn werk?

Bij mij ontstaat een nieuw idee vaak terwijl ik met een ander boek bezig ben. In de acht jaar dat ik aan Kroonsz werkte, verschenen ook De sleuteldrager en Vlieg! Het zaadje van het boek waar ik nu aan werk ontkiemde ook al drie jaar geleden in mijn hoofd. En terwijl ik daar nu aan werk, zijn er alweer twee andere plannen ontstaan in mijn hoofd. Het denken ontwikkelt zich in elkaar logisch opvolgende stappen. In Kroonsz gaat het over angst en sterfelijkheid, in mijn volgende boek gaat het over noodlot en toeval, schuld en onschuld.

Kroonsz speelt zich deels af in het zeventiende-eeuwse Amsterdam. Vroeger wilde je archeoloog worden. Is dat wroeten in de geschiedenis de archeoloog in jou?
Het is bij mij eerder wroeten in mijn onbewuste. Het onbewuste zie ik als een soort sediment waar alles wat je in de loop der jaren meemaakt neerdaalt en lagen vormt. Acht jaar geleden ontstonden de eerste ideeën voor Kroonsz. Iets met een gat in de werkelijkheid, het thema sterfelijkheid… Het proces dat dan ontstaat heeft tijd nodig. Ik speel met mijn ideeën, er moeten beelden ontstaan van de plekken waar het verhaal plaatsvindt. Plekken waar het thema zich aan kan hechten. Ik schrijf eerder vanuit de beelden dan vanuit de personages.
Zo ontstond acht jaar geleden het Teatro Morituri, het theater van zij die sterven gaan. In die tijd was het idee nog heel plat. Dwalend door Amsterdam vielen dingen op hun plek, vond ik het buurtje bij de Zuiderkerk waar ik het huis van Wessel en Zacharias situeerde en kwam ik bij de Gouden Eeuw terecht.

Het hoofdthema van het boek is angst, het boek is ervan doordrenkt. Kun je daar wat meer over vertellen?
Dit thema houdt me al langer bezig. Ik ben een bewonderaar van de Hongaar György Konrád. De Joodse schrijver die tijdens de Tweede Wereldoorlog als elfjarig jongetje met zijn zusje door Boedapest zwierf. Na de oorlog ontwikkelde hij een grote mildheid. Een van zijn uitspraken is: Het is goed om bang te zijn, maar niet om te bang te zijn. Dat vind ik interessant, want hoe ga je om met angst? In De sleuteldrager schiep ik een boze tovenaar, Malijn. Zijn magie werkte echter alleen als je er bang voor was. De oplossing werd het niet-bang zijn, dat was de enige manier om de magie te weerstaan.
In Kroonsz heb ik drie stappen genomen. De eerste is de angst van Zacharias Kroonsz. De vader van Wessel heeft bijna middeleeuwse angsten voor de hel, echte Jeroen Bosch-taferelen. Vervolgens komt Wessel in aanraking met Spinoza. Spinoza laat hem denken over de serene eeuwigheid waarin je niet bang hoeft te zijn voor de dood. Dat beeld is filosofisch beschouwend en heel afstandelijk: geen angst, maar ook weinig andere emoties. Uiteindelijk besluit Wessel – en dat is stap drie – dat de oplossing niet ligt in de koele afstandelijkheid van de eeuwigheid, en ook niet in de angst voor de hel, maar in de rijkdom van het hier en nu.

In een van je blogs refereer je aan een uitspraak van Floortje Zwigtman: ‘Schrijven bestaat voor een belangrijk deel uit het beantwoorden van vragen waar je eigenlijk geen antwoord op durft te geven.’ Heb jij in Kroonsz antwoord willen geven op zo’n vraag?
Om een boek te schrijven dat de lezer kan raken, móét ik iets verkennen wat mij echt raakt, anders wordt het kunstmatig. Daardoor duurt het ook lang voordat ik echt aan een verhaal kan beginnen. Het moet voor mezelf eng worden, ik moet op een punt komen dat ik weet: Nu ga ik verder dan waar ik eigenlijk over na wil denken. Zoals in Kroonsz over de dood of sterfelijkheid. Ik weet niet of ik echt antwoorden vind. Nu ik meer dingen heb geschreven, kom ik erachter dat de antwoorden vaak tijdelijk zijn. Dezelfde vragen komen terug, waardoor het meer op bezweren gaat lijken. Maar sommige dingen krijgen wel een plek. Acht jaar geleden ontstond het idee voor Kroonsz, maar zeven jaar geleden gebeurde er iets wat onmiskenbaar sterk heeft doorgewerkt in het schrijven van het boek. Op een novemberavond werd ik tijdens een ommetje slachtoffer van een geweldsmisdrijf. Het was volledig willekeurig, in mijn eigen straat werd ik door twee mannen tegen de vlakte geslagen. Drie dagen heb ik op het randje van coma gelegen. Ik moest uit dat gat in de werkelijkheid omhoogkruipen. Door de zware hersenschudding weet ik er niet veel meer van, ook dat is een gat in de werkelijkheid. Deze ervaring heeft een plek gekregen in mijn boek.

In 2010 schreef je: ‘Een goede schrijver raakt aan universele thema’s op actuele wijze en schrijft over die thema’s die nu urgent zijn.’ Daar moest ik aan denken na de aanslagen in Parijs, had jij dat ook?
Na de aanslag op Charlie Hebdo heb ik op mijn Facebookpagina ‘de Torn’ uit Kroonsz aangehaald: ‘een afgrondelijk gat in het weefsel van de werkelijkheid dat ontstaat als we de dood boven het leven stellen.’ De aanslag in Parijs heeft zo’n gat gecreëerd. In mijn boek wordt het gat uiteindelijk gedicht, maar sommige gaten zijn niet te dichten, of laten in ieder geval littekens achter, dat is het verschil tussen fictie en werkelijkheid.

Burgemeester Eberhard van der Laan zei in zijn toespraak op de Dam: ‘Moed is niet de afwezigheid van angst, moed is het kunnen overwinnen van angst.’ Dat is precies wat Wessel doet aan het einde van het boek.
Daarom is de plot ook zo belangrijk en heb ik daar veel tijd aan besteed. Wessel kiest uiteindelijk voor het hier en nu. Hij kiest voor de liefde, de schoonheid, het geraakt worden. En ook Bor verkiest de verbinding met anderen vóór eenzaamheid, door Pink te redden.

In die zin is het boek een oproep om je leven niet door angst te laten beheersen.
Dat is ook wat mijn ervaring zeven jaar geleden me heeft gebracht. Ik heb er geen racistische gevoelens aan overgehouden en ik ga nog steeds gewoon de straat op. Het heeft geen zin om met een vergiet op je hoofd en een pleister op je mond in de trapkast het ergste af te gaan zitten wachten. We hebben tegen geweld én angst een verhaal nodig waarin verschillende culturen en individuen wel kunnen samenleven en daarmee kunnen we de ‘gaten’ dichten. Het enige wat ik, geloof ik, kan doen na zulke aanslagen als die in Parijs, is verdergaan met wat ik altijd doe, met hopelijk – ook bij wijze van eerbetoon – even iets meer bewustzijn van de kwetsbaarheid, vluchtigheid, schoonheid en bij tijd en wijle gruwelijkheid van het leven en de wereld.

Op dus naar jouw volgende boek. Over Kroonsz wordt geschreven dat het je magnum opus is, of komt dat er nog aan?
Ik heb meer het idee dat dit boek een standaard zet. Ik heb er vooral heel veel van geleerd. Het volgende boek moet dus nog beter kunnen worden. Van Kroonsz heb ik veel geleerd. Al was het ook minder vanzelfsprekend en passend, toch mis ik wat humor in het verhaal. Umberto Eco is daarin een groot voorbeeld voor me. Die geeft het allemaal: de complexiteit, vreemde werelden, filosofische gedachten én humor. Daar streef ik naar.

Kun je een tipje van de sluier oplichten?
Ook in het boek waar ik nu aan werk komen verhaallijnen uit het verleden en heden samen. Het gaat over twee jongens van zestien, beste vrienden, die een pistool vinden in een tunneltje. Een van de twee, de ‘ik’ in het boek, schiet de ander per ongeluk neer. Hij moet daarmee leren leven. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat het misschien niet 100% een ongeluk is. De andere verhaallijn speelt in de Tweede Wereldoorlog. Langzaam wordt duidelijk dat het pistool dat in het heden zo’n vernietigende rol speelde, in het verleden in een heel ander verhaal een vergelijkbare rol had…

Dat klinkt om eerlijk te zijn ook niet echt luchtig.
Toch gaat het me in dit boek met de humor veel beter af. Ik hoop het dit jaar af te ronden, dus dan kun je het lezen.

Ik kan niet wachten!