BOEKWIJZER INTERVIEWT ANNA WOLTZ

Boekwijzer | Anna Woltz
© Merlijn Doomernik

Op de eerste dinsdag van maart liep ik als een kind zo blij door Utrecht. Ik zou Anna Woltz gaan ontmoeten! Haar Mijn bijzonder rare week met Tess is een van mijn lievelingsboeken.

De wandeling leidde me langs mooie, vertrouwde plekjes. Anna bleek op steenworp afstand te wonen van het huis waar ik tijdens mijn studententijd vier jaar lang woonde.

Toen ze de deur voor me opendeed, keek ze me met haar grote blauwe ogen zo vrolijk aan, dat ik meteen begreep wat Ted van Lieshout bedoelde toen hij schreef dat ze er bij de uitreiking van de Griffels in 2014 met haar opgewektheid eigenhandig voor zorgde dat de zon rest van de middag bleef schijnen!

Boekwijzer | Anna Woltz
© Jeroen Vriesendorp

Tess, de hoofdpersoon uit Mijn bijzonder rare week met Tess, vraagt zich af wat familie nou eigenlijk is. Wat betekent het voor jou om familie van elkaar te zijn?
Ik vind het fantastisch dat het fenomeen familie bestaat: ik ken mijn ouders en zusje Sarah al zo lang als ik me kan herinneren. We horen bij elkaar. Natuurlijk zijn we verschillend, maar we delen veel familietrekken – en doordat we zo lang samen in één huis hebben geleefd, delen we ook ontelbaar veel herinneringen.

In bijna al mijn boeken spelen familierelaties een belangrijke rol. Ik vind het fascinerend hoe de band tussen ouders en kinderen langzaam verandert: bijna elk jong kind is ervan overtuigd dat zijn of haar ouders de allerliefste zijn. Je wereld thuis is de héle wereld: zoals er bij jou thuis wordt gegeten, gepraat, geleefd, zo hoort het. En dan komt er een moment waarop je als kind ontdekt dat er meer bestaat – en dat je ouders ook maar mensen zijn. Mensen met eigen gevoelens, mensen die fouten maken en die misschien eigenlijk, als je het goed bekijkt, niet de leukste ouders van de wereld zijn. Over dat kantelpunt gaan mijn boeken vaak.

Werden jij en je zusje vroeger veel voorgelezen?
Ja! Mijn moeder las ons boeken van Astrid Lindgren, Edith Nesbit en F.H. Burnett voor en mijn vader verzon zelf de gekste verhalen. En elke zomervakantie las mijn moeder een nieuw deel van de Kleine Huis-serie van Laura Ingalls Wilder voor. Dat was een traditie. Mijn zusje en ik groeiden met Laura en haar zusjes mee.

Toen ik zes was en het grote moment was aangebroken dat ik zelf mocht leren lezen, had ik daardoor al best een goed idee van verhalen die ik mooi vond. Het boekje over Kabouter Pím en de mús die op de wíp zaten, viel daardoor niet alleen tegen, het stuitte me gewoonweg tegen de borst. Als ik dat soort teksten voorgeschoteld kreeg, dan las ik liever niet. De rest van dat jaar heb ik geweigerd die boekjes te lezen. Mijn ouders en juffen accepteerden mijn staking alsof het de normaalste zaak van de wereld was en lieten me mijn gang gaan – en daar ben ik ze heel dankbaar voor. In de jaren tachtig kon dat nog; tegenwoordig zou er waarschijnlijk meteen een crisisberaad gepland worden en had ik rode vlaggen gekregen in het leerlingvolgsysteem… Nu denk ik dat ik als klein meisje al had bedacht dat ik mijn plezier in verhalen niet wilde laten verpesten. Dat jaar heb ik trouwens op de een of andere manier tóch leren lezen, want de zomervakantie erna verslond ik voor het eerst De kinderen van Bolderburen.

Op de middelbare school schreef je onder pseudoniem columns voor de Volkskrant. In een van die stukjes verbaasde je je over het feit dat je een sonnet van P.C. Hooft mooi vond: ‘Omdat alle informatie op de geestige Script-wijze (Boekwijzer: Script is een leerboek) wordt verstrekt, denk je er niet aan dat zo’n dichter misschien wel anders was dan het boek zegt.’ Dat klinkt alsof je je al jong bewust was van de sturende manier van bepaalde lesmethoden…
Als basisscholier had ik geen idee van fabel, sujet en motieven, hoopte ik alleen maar dat een verhaal nooit zou aflopen. Daar kwam op de middelbare school met de leerboeken en leesverslagen bij Nederlands verandering in. Het heeft mijn plezier in de Nederlandse literatuur een paar jaar flink de kop ingedrukt.

Bij Engels was het anders. We lazen twintig boeken voor onze lijst en dat was het. Niet ontrafelen, gewoon lekker lezen. Ik weet nog precies waar ik zat in de klas tijdens een proefwerk algebra en dat ik aan een stuk door dacht: nog vijfenveertig minuten, nog veertig minuten, nog dertig minuten totdat ik Jane Eyre weer mag gaan lezen. Straks mag ik naar huis en dan ligt Jane Eyre weer op mij te wachten.
Ik hou nog steeds meer van Engelse en Amerikaanse literatuur. De schrijvers spreken me meer aan, maar de vrijheid die ik bij het lezen van deze boeken kreeg zal daar ook mee te maken hebben.

Boekwijzer | Anna Woltz

In een andere column schreef je: ‘Soms maakt het me wanhopig dat ik geen enkel beroep op deze aarde kan bedenken dat mij aanstaat. En dat komt niet door miezerige lamlendigheid. Ik wil zo nodig hard werken en ik vind veel interessant. Maar misschien is dat juist het probleem; ik weiger me te laten opsluiten in één vakgebied waar ik nooit meer uitkom.’ Wist je toen nog niet zeker dat je schrijver wilde worden?
Jawel, ik was toen al heel serieus bezig met schrijven. Maar ik heb lang gedacht dat schrijven mijn hobby zou blijven en dat ik een ‘normale’ baan zou moeten zoeken om geld te kunnen verdienen. Op school werd ik met de standaard beroepskeuzevoorlichtingen niet geholpen. Die beroepen spraken mij allemaal niet aan. Al vanaf mijn twaalfde probeerde ik elke zomervakantie een boek te schrijven. De columns voor de Volkskrant, die later gebundeld zijn in Overleven in 4B, schreef ik op mijn vijftiende. Schrijver worden is altijd het doel geweest. De keuze om geschiedenis te gaan studeren na de middelbare school was dan ook weloverwogen. Ik was bang dat ik door een studie Nederlands te veel beïnvloed zou raken. Daarbij zou ik vast nog veel meer leesverslagen moeten maken (Anna lacht).

‘May I now have the truth?’ schrijft Georgette Heyer in These Old Shades. Stelde jij eenzelfde vraag aan je moeder toen je haar als veertienjarig meisje vroeg jouw boek te beoordelen?
Dat jaar werkte ik weer de hele zomervakantie aan een verhaal. Toen school weer ging beginnen had ik zestig pagina’s geschreven. In die tijd werd ik heftig beïnvloed door Georgette Heyer, een Engelse schrijfster van historische verhalen. In Nederland is ze niet zo bekend, maar in Engeland is ze heel populair. Haar boeken zijn goed geschreven, erg grappig en hoogst romantisch; vol eenvoudige meisjes die mannen ontmoeten die later graven blijken te zijn. In mijn boek kwam dus ook een graaf voor.
Toen ik het aan mijn moeder liet lezen, wilde ik maar één ding weten: zou dit boek uitgegeven kunnen worden? Want dat was ook toen ik veertien was mijn doel. Mijn moeder bracht het lief – er waren veel dingen die ze mooi vond – maar de boodschap was duidelijk: dit was nog niet goed genoeg.

Kun je me vertellen waarom je besloot columns voor de Volkskrant te gaan schrijven?
Toen ik ontdekte dat ik nog te weinig van de wereld wist om hem te kunnen beschrijven (waardoor ik dus maar over jonge graven schreef), ging ik op zoek naar een onderwerp waar ik wél iets vanaf wist. En wat was dichterbij dan de schoolwereld waar ik al zo veel jaren doorbracht, waar ik elke dag goed oplette, zoekend naar een gebruiksaanwijzing. Ik schreef twee proefcolumns en stuurde ze op naar de Volkskrant. Zij hadden er wel oren naar. Onder de schuilnaam Rebecca Maart is toen een jaar lang iedere week een column in de krant verschenen.
Ik ben altijd beschouwend geweest, vond het interessant om als een soort antropoloog naar de klas te kijken. Misschien was het ook wel een vorm van zelfbescherming: de antropoloog staat buiten de groep, die kan er grappige, opmerkelijke dingen over zeggen, maar hoeft niet aan de populariteitsrace deel te nemen. Stiekem wilde ik natuurlijk best graag een ‘normaal’ meisje zijn, meedoen met de rest, maar ik wist gewoonweg niet hóé ik dat moest doen. Mijn klas accepteerde dat ik mijn eigen dingen deed, ik had een fijne positie en werd absoluut niet gepest. Het observeren en erover schrijven was een manier om toch een rol te hebben.

Een van je lievelingsschrijvers Jonathan Franzen schreef: ‘Good novels are produced by people who voluntarily isolate themselves, and go deep, and report from the depths on what they find.’ Herken je dat?
Aan mijn laatste boek Gips heb ik vanaf het begin van de zomer gewerkt. De eerste maanden nog met flink wat onderbrekingen – een mens moet in juli toch ook met een boek in het gras liggen, maar vanaf september werkte ik er fulltime aan. Alleen in de Kinderboekenweek niet natuurlijk: toen reisde ik vijftien dagen lang het hele land door om scholen en bibliotheken te bezoeken. Dat isoleren waar Jonathan Franzen het over heeft, kwam de laatste twee maanden, toen de deadline naderde. Dan schrijf en schrap en denk ik echt zo hard en zo veel als ik kan en leef ik een tijdje als een kluizenaar, zodat ik totaal in mijn verhaal zit.
Omdat ik het zo vreselijk leuk vind om te doen, voelt het niet als ‘gedisciplineerd’. Zo ben ik gewoon altijd geweest, als kind al. Op de montessorischool waar ik naartoe ging, mocht ik mijn eigen tijd indelen. Ik deed dat extreem. Een maand alleen maar taalwerkjes, een maand alleen maar rekenen, twee weken focussen op één werkstuk… Het heeft voor mij altijd fijn gevoeld om op die manier te werken.

Is je moeder eigenlijk nog steeds de eerste lezer van je verhalen?
Mijn moeder was de eerste lezer van mijn verhalen toen ik twaalf was, en dat is nooit veranderd. Ik realiseer me hoeveel geluk ik daarmee heb. Ik vind haar een fantastische schrijfster, maar ze is minder ambitieus dan ik. Ze vindt dat ze nu wel klaar is met schrijven, en nu is ze een fantastische lezer. Ze heeft net Wolf Hall en Bring Up the Bodies van Hilary Mantel herlezen en vond het nu tijd om Oorlog en Vrede voor de zoveelste keer te lezen. En tussen al die wereldliteratuur door, leest ze mijn boeken. Ze is bereid om tijdens een wandeling met de hond een uur lang met me te brainstormen over de naam van een hoofdpersoon – totdat we allebei helemaal gek worden. En ze is volstrekt eerlijk; ze weet dat ik wil dat ze kritisch is. Als ze commentaar heeft, luister ik heel goed. En dan bedenk ik daarna of ik er wat mee wil doen of niet. Wat haar favoriete boek van mij is? Mijn bijzonder rare week met Tess.

Boekwijzer | Anna Woltz | Mijn bijzonder rare week met Tess

‘Dit was mijn eerste keer op Texel en ik hield nu al van het eiland.’ vertelt Samuel ons in Mijn bijzonder rare week met Tess. Toen jij voor het eerst op dit eiland was, besloot je dit boek te gaan schrijven…
De Texelse bibliotheek had me uitgenodigd om in vier dagen tijd alle zevende groepers van het eiland te ontmoeten. Ik was nog nooit op een waddeneiland geweest. In de middagen fietste ik door de duinen, zat ik op het strand, keek ik naar de lammetjes. Ik vond het zo mooi; hier wilde ik een verhaal over schrijven. Eerst had ik het idee om twee kinderen een begrafenisbedrijf voor huisdieren te laten oprichten, om in de vakantie hun zakgeld aan te vullen. Maar ik kwam ervan terug. In het eerste hoofdstuk moesten ze een reusachtige dode varaan gaan begraven, maar het was eigenlijk veel te eng, vies en raar. (Anna lacht) Helemaal geen leuk begin van een verhaal. Terwijl ik juist boeken wil schrijven die kinderen fijn vinden om te lezen. Ik probeer altijd te bedenken wat het allerleukste is dat er kan gebeuren (wat trouwens ook best iets verdrietigs, of iets wat helemaal misgaat kan zijn). Het moest dus helemaal anders. En zo kwam het dat Tess haar vader, die ze nog nooit had ontmoet, naar het eiland lokte en dat Samuel haar ging helpen om hem te leren kennen.

Samuel is in Mijn bijzonder rare week met Tess erg met de dood bezig. Hoe was dat voor jou toen je net zo oud was als Samuel?
Hoewel ik weet dat er meer tienjarigen zijn zoals hij, was ik geen meisje dat veel over de dood nadacht. Ik was er nuchter over. Toen ik vijftien was overleed mijn oma van drieënnegentig. Daar was ik heel verdrietig over, maar het hoorde wel zo te gaan. Ik heb een week voor ze overleed haar nagels nog gelakt, ze wilde er graag mooi uitzien in de kist. Ze had een geweldig leven gehad. Haar dood heeft mijn gedachten over het leven niet ten diepste beïnvloed. Het bevestigde eerder mijn beeld: je wordt oud, omringd door je kinderen breng je je laatste maanden door en dan ga je dood.

Dat veranderde toen mijn beste vriendin aan kanker overleed. Ze was pas zevenentwintig, een dag jonger dan ik, ze was net afgestudeerd toen ze ziek bleek te zijn… Het was onvoorstelbaar.
Ik had er geen behoefte aan om mijn ervaring letterlijk in een boek te gebruiken. Als ik schrijf sluipen de serieuzere lijntjes er vaak juist later in. Zonder er bewust mee bezig te zijn, hebben de vragen die ik mezelf stelde na haar overlijden en mijn gedachten over de dood een plek gekregen in het boek. Ik denk dat het – hoe gek en fout het ook voelt om dat te zeggen – Tess beter heeft gemaakt.

In een van mijn lievelingszinnen uit het boek heb je een prachtige boodschap verborgen: ‘”Toen mijn Maria stierf,” zei Hendrik, “huilde ik omdat ik haar niet váker had gezien. Ik had méér Maria gewild. Niet minder.”‘ Wil je daar wat meer over vertellen?
Samuel is zo bang om zijn familie te verliezen dat hij een oplossing heeft bedacht. Hij besluit dat hij eraan moet wennen om zonder hen te leven. Elke dag oefent hij om ietsje langer van zijn familie weg te zijn. Aan het einde van het boek realiseert hij zich dat hij juist geen afstand moet nemen, dat hij juist zo veel mogelijk van mensen moet genieten zolang ze er zijn. Ik ben blij dat ik deze visie op het leven, die me zo dierbaar is, in het boek kon verwerken. En waar Samuel de ontdekking doet dat je eerder meer dan minder familie wilt, is Tess dat in de praktijk aan het brengen door haar vader te leren kennen. Ik geloof niet dat ik dat ooit zo koelbloedig heb verzonnen, volgens mij is de parallel eerder langzamerhand ontstaan. Als je echt geluk hebt bij het schrijven, komen dat soort dingen onbewust samen.

Het stond zelfs in de kranten: ‘Emmy-winnaars verfilmen boek Anna Woltz!’ (Het Parool 28 februari 2015)
Het is zo spannend dat de rechten van Tess verkocht zijn. Regisseur Steven Wouterlood en producent Joram Willink van BIND hebben in februari een Emmy gewonnen voor hun korte kinderfilm Alles mag; echt fantastisch. Wat mij veel vertrouwen geeft, is dat de regisseur goed snapt wat ik met het boek wil zeggen, wat de sfeer is en wat de grote vragen zijn waar de hoofdpersonen over nadenken. Dat is juist wat hem zo in het boek aanspreekt. Het is ook zijn intentie om daar dichtbij te blijven. En dan vind ik het helemaal niet erg als bepaalde scènes veranderd of omgegooid worden. Ik heb tegen hem gezegd: Ik laat het helemaal los. Alles waar jullie me bij wíllen betrekken, vind ik leuk en ik kom heel graag een keer kijken als er wordt gefilmd, maar in principe bemoei ik me er niet mee. Volgens mij werkt dat het best.

Boekwijzer | Anna Woltz | Mijn bijzonder rare week met Tess

Je boeken verschijnen dit jaar ook in Duitsland.
Evi, Nick en ik is net uit en heet daar Kükensommer. En Mijn bijzonder rare week met Tess verschijnt ook bijna. Andrea Kluitman heeft dat boek ontzettend goed vertaald. Het is zo mooi geworden. Helemaal in donkerblauwe inkt met wondermooie illustraties van Regina Kehn. Ik vind het mijn mooiste boek. Regina heeft me verteld dat mijn verhaal haar zo raakte dat ze zich er helemaal in heeft verdiept. Ze is zelfs naar Texel geweest, omdat ze wilde weten hoe het er daar uitzag.
Haar illustraties zijn kleine rebusjes. Deze (eerste plaatje) vind ik bijvoorbeeld prachtig en symbolisch. Dit is de moeder van Tess die de navelstreng met de vader van Tess doorknipt en hem dus niet vertelt dat zij een baby gaat krijgen. Of deze (tweede plaatje) van Samuel. Hij is met een oudere man in gesprek over ouder worden. De illustratie voegt aan dat gesprek echt wat toe.

In mei ga ik drie weken naar Berlijn, naar een talenschool. Ik heb eindexamen gedaan in Duits, maar mijn actieve kennis van de taal is flink weggezakt. Twee jaar geleden was ik een week in Berlijn en net als bij New York dacht ik: híér wil ik een tijdje wonen, deze stad wil ik echt goed leren kennen. En nu heb ik voor mijn werk een goede reden om mijn Duits op te gaan frissen. Twee boeken komen dit voorjaar in Duitsland uit en Honderd uur nacht is ook gekocht.

En toen verscheen dit bericht op je Facebookpagina: ‘Honderd uur nacht is niet alleen gekocht door Duitsland: ‘HONDERD UUR NACHT GAAT NAAR AMERIKA!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!! Mijn Amerikaanse uitgever (dat klinkt ZO COOL) Arthur A. Levine Books zit op Broadway in SoHo, vier blokken van waar ik woonde in 2012. Zij hebben toen dus ook honderd uur duisternis doorstaan na orkaan Sandy… Voor het eerst van mijn leven champagne gekocht!’ Wow! Dat is echt helemaal te gek…
Meestal beheers ik me met uitroeptekens en kapitalen, maar voor deze ene keer vond ik het wel mogen; ik ben nog niet vaak in mijn leven zó blij geweest met nieuws over een boek van mij.

Ik had eigenlijk gedacht dat Amerikanen zouden denken: Ja hallo, dat is ónze orkaan, wij hoeven echt niet te weten hoe een Nederlands meisje orkaan Sandy heeft beleefd. Gelukkig had ik het mis, in 2016 zal het boek in Amerika verschijnen.
In 2012 besloot ik drie maanden in New York te gaan wonen. Emilia, mijn hoofdpersoon zegt in het boek: ‘Wat is dat toch met New York?’ (…) ‘Ik hoef maar even om me heen te kijken en ik voel me alsof ik verliefd ben.’ Dat wow-gevoel heb ik drie maanden gehad. Ik hoefde ’s ochtends maar op te staan, de deur open te doen, naar buiten te stappen en ik was gelukkig. Echt! Een golf van geluk sloeg elke ochtend weer over me heen. En als je boek in Amerika uit gaat komen, dan begin je te dromen… Wat als een Amerikaanse filmproducent het boek leest en het mooi vindt. Voor Amerikanen is het makkelijker verfilmbaar dan voor Nederlanders. Wie weet!

Boekwijzer | Anna Woltz | Gips

Ik zou je bijna vergeten te vragen of je wat kunt vertellen over je nieuwste boek. Terwijl ik daar nog wel zo erg naar uitkijk!
Mijn nieuwe boek Gips verschijnt in april en speelt zich af in het ziekenhuis. Voordat ik ging schrijven, mocht ik twee dagen met mijn zusje Sarah meelopen; ze is in opleiding tot chirurg. Dat was zo bijzonder. Ik was stiekem bijna meer bezig met het observeren van mijn zusje in haar witte artsenjas, die daar zo volwassen, met zo veel kennis haar beroep uitoefende en mensen zonder enige aarzeling advies gaf over de meest uiteenlopende zaken. Ik ben zelfs op de OK geweest. Er moest opeens geopereerd worden en de artsen zeiden: ‘Trek een groene jas aan, doe een kapje voor, een mutsje op je hoofd en kom maar mee.’ Ik moet bekennen dat ik ook daar iets meer op mijn zusje heb gelet, dan op de bloederige patiënt!

Toen het boek klaar was, heb ik Sarah Gips laten lezen. Zij moest natuurlijk wel nog controleren of alles klopte wat ik over medische zaken had geschreven. Ze begon keihard te lachen. In het boek moet een vingertopje worden teruggezet. Ik had op Google gelezen dat zo’n operatie wordt uitgevoerd met een ‘kromme naald’, dus had geschreven dat de arts: ‘de blauwe draad door het oog van de kromme naald deed.’ Wat bleek: een operatienaald heeft helemaal geen oog! Die haal je gewoon met draad en al uit de verpakking.

Boekwijzer | Anna Woltz | Gips

Ik was erg verbaasd dat Tess geen Griffel kreeg. En met mij ongeveer heel de boekenwereld…
Het zou natuurlijk erg leuk zijn geweest om zo’n mooie prijs te winnen, maar ik was ook blij met de Vlag & Wimpel. En ik vond het heel bijzonder dat er zo veel mensen vonden dat ik een Zilveren Griffel had moeten winnen. Wie weet wat de toekomst nog zal brengen.

Ik vind zo veel fijn aan het schrijven van kinderboeken… Dat het mogelijk is om vrij ingewikkelde concepten en ideëen in simpele woorden op te schrijven zonder dat ze iets verliezen van hun kracht, zelfs krachtiger worden. Dat ik een wereld kan scheppen, dingen mag verzinnen die er eerst nog niet waren. Dat ik personen creëer en er daarna over hen gepraat kan worden alsof het echte mensen zijn. Dat is geweldig.
Kinderen vind ik fascinerend; ongeveer elk woord dat ze uitbrengen is interessant, omdat het duidelijk maakt hoe anders ze naar de wereld kijken. Ik vind die manier vaak fijner en leuker. Kinderen verwonderen zich over dingen die daadwerkelijk raar zijn. Dingen waar wij volwassenen aan gewend zijn geraakt; waar we ons niet meer over verwonderen. Ik vind het fijn om mijn hoofdpersonen daar wel stil bij te laten staan. En mijn volwassen lezers daarmee uiteindelijk ook weer.
Gips wordt dan wel mijn twintigste boek, maar ik ben nog lang niet uit verteld.