‘Het ouder worden hoort erbij, maar vanbinnen blijf ik dezelfde. Dat verwondert me soms.’  

Anke de Vries 2015 05

BOEKWIJZER INTERVIEWT ANKE DE VRIES

Ter ere van de presentatie van haar nieuwste boek Littekens en een expositie kwam Anke de Vries – de schrijfster van onder andere Belledonne kamer 16 en Blauwe plekken – een week over uit Frankrijk. We ontmoeten elkaar in Galerie Het Cleyne Huys op het Noordeinde in Den Haag, niet ver van de plek waar Anke vierenveertig jaar eerder haar eerste kinderboek schreef.
Het is bijna niet voor te stellen dat deze sprankelende dame met helderblauwe ogen dit jaar tachtig wordt. Na een rondleiding langs haar kleurrijke collages, strijken we te midden van al dat moois neer.

boekwijzer | anke de vries

Je echtgenoot Laurent is meegekomen uit Frankrijk. Reizen jullie altijd samen?
Ja, we doen bijna alles samen. Of alles? Ik weet dat hij een hekel heeft aan winkelen, dan gaat hij in een cafeetje zitten zodat ik rustig kan rondneuzen en aarzelen zo lang als ik wil. En we werken ook onafhankelijk van elkaar. We hebben onze eigen werkplek in huis en in de tuin. Dan zien we elkaar uren niet. Al komen we tussendoor altijd bij elkaar kijken of drinken koffie samen. Laurent is de eerste lezer van mijn manuscripten. Zijn kritiek is altijd opbouwend. Ik denk weleens dat ik – als hij er niet meer zou zijn – geen letter meer zou schrijven en geen collages meer zou maken.

boekwijzer | anke de vries

Jullie zijn al zestig jaar samen, dan was je heel jong toen je hem ontmoette…
Ik was zeventien en Laurent achttien. Hij logeerde bij een tante die bij ons in de buurt woonde, om Nederlands te leren. De dag dat we elkaar ontmoetten, kende hij welgeteld één woord: goedenavond.

Hij was aan het tafeltennissen en toen hij naar buiten kwam fietste ik net langs. We zagen elkaar en hij zei: ‘Goedenavond.’ Het was meteen raak. Toen ik thuiskwam, vroeg ik aan mijn moeder of ik een boodschap voor haar kon doen in het dorp. Ik wilde hem nog een keer zien. ‘Koop maar een kilo suiker,’ zei ze. Dus ik sprong weer op mijn fiets. Laurent dacht kennelijk: die komt wel terug, hij was blijven wachten bij een boom. Het was heel romantisch en spannend. Mijn ouders wisten in het begin niets van onze geheime ontmoetingen en zijn tante ook niet.

Veel van je boeken spelen zich af in Frankrijk. Ontstond de liefde voor dat land doorBelledonne Laurent?
Toen we elkaar een jaar kenden nam hij me mee naar hun familiehuis in Frankrijk, waar een deel van de familie de vakantie doorbracht. Het ligt in de buurt van Grenoble. Het maakte een enorme indruk op me; de Franse Alpen, de sfeer van zo’n grote familie die de hele dag praatte en discussieerde over politiek, het grote, oude huis. Het was eigenlijk een kasteel, want het had een zestiende-eeuwse toren, maar het viel ongeveer uit elkaar. En dan het uitzicht op Belledonne, de berg die altijd bedekt is met sneeuw. Ik dacht toen: ik wou dat ik kon schrijven, dan zou ik over deze omgeving schrijven. Het heeft meer dan twintig jaar geduurd voordat het boek er kwam: Belledonne kamer 16.

Is dat je lievelingsboek?
Ja, juist door al die herinneringen. Laurents grootmoeder, bonne maman, werd in het boek madame de Béfort, het café van Lucette, waar we vaak kwamen en niet te vergeten de bergketen Belledonne. Het familiehuis, dat inmiddels verkocht is, had een heel eigen geschiedenis, de Franse schrijver Stendhal kwam er vroeger regelmatig, hij was een familievriend. Nu is daar het gemeentehuis gevestigd, maar we gaan nog bijna elk jaar terug. In de oude stallen achter het huis hebben ze een bibliotheek gebouwd. Daar zag ik mijn vertaalde prentenboeken liggen. Dat gaf me echt een kick. Met die boeken in mijn hand kon ik de slaapkamer zien waar we altijd sliepen.

9789056378257Je was ‘pas’ zesendertig toen je je eerste boek – De vleugels van Wouter Pannekoek – schreef…
Nadat we trouwden hebben we een tijd in het buitenland gewoond. Toen we terugkwamen in Nederland werd Laurent opgeroepen om in Frankrijk te dienen voor twee jaar. Het was in de tijd van de Algerijnse oorlog. Ik bleef achter in Nederland en woonde bij familie in Leiden. Het was geen gemakkelijke tijd, Laurent zat in Parijs, we zagen elkaar weinig. Hij heeft daardoor de jongste jaren van onze kinderen niet meegemaakt.

Wij hebben een jongen en daarna twee meisjes gekregen. Drie kinderen in drie jaar. Tja, dat was in de tijd voor de pil. Toen die eindelijk werd ingevoerd, was ik hoogzwanger. In de wachtkamer bij de NVSH (boekwijzer: Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming) vroeg iemand: ‘Wat kom jij hier doen?’ Ik vertelde dat ik voor de pil kwam. ‘Ben je dan niet een beetje laat?’ vroeg ze verbaasd. ‘Nee’, zei ik, ‘juist heel vroeg. Dit moet echt de laatste zijn.’ Haha.
Het was druk. Als er één de mazelen kreeg, hadden ze het allemaal. Met de bof en de waterpokken verliep het net zo. Maar ik heb het niet als zwaar ervaren. Ik heb genoten van de jaren met de kinderen.
Toen ze wat ouder werden, kreeg ik meer tijd en wilde ik graag iets voor mezelf doen. Ik volgde de cursus ‘Creatief Schrijven,’ waar Godfried Bomans, Harriët Freezer en An Rutger van der Loeff de grondleggers van waren. Ik schreef en schreef, aangemoedigd door Laurent, die altijd een schrijfster in me had gezien. In die tijd waren we heel actief in de buurt en dat heb ik verwerkt in een boek: De vleugels van Wouter Pannekoek.

We zitten in een galerie op het Noordeinde niet ver van de plek waar het allemaal begonnen is.
Ja, grappig hè! Dat vertelde ik ook bij de presentatie van Littekens. Omdat ik geen enkele uitgever kende, besloot Laurent eens bij Boucher – dat was toen een bekende boekhandel op het Noordeinde in Den Haag – te informeren of zij een goede uitgever kenden. ‘Probeer het eens bij Lemniscaat,’ tipten ze. Zo zijn we bij Lemniscaat gekomen. De moeder van Jean Christophe (boekwijzer: Boele van Hensbroek, de huidige uitgever van Anke) belde me twee dagen nadat ik het manuscript had ingeleverd op en zei: ‘Anke, koop maar een taart. Want het wordt een boek.’ Ik wist niet wat ik hoorde, het was echt een verrassing.

boekwijzer | anke de vries

Was het al meteen duidelijk voor je dat het een kinderboek zou worden?
Nee. In De Vleugels van Wouter Pannekoek komt eigenlijk maar één kind voor, verder zijn het allemaal volwassenen. Sommige van mijn boeken worden ook door kinderen en volwassenen gelezen. Zoals Opstand, de historische roman over een wijnopstand in Frankrijk in 1907. Lemniscaat heeft daar zelfs speciaal een omslag voor volwassenen voor laten maken.

Ik schrijf niet bewust voor kinderen, of voor een bepaalde leeftijd. Behalve in de leesboekjes voor het onderwijs die ik voor uitgeverij Zwijsen schrijf. Daarin moet je wel rekening houden met leeftijd en de taal, dat is een andere manier van schrijven.

Wat heb je in je achterhoofd als je schrijft?
Dat is moeilijk uit te leggen. In ieder geval moeten de omgeving en de personages dicht bij me liggen. Er komen altijd mensen in voor die me na aan het hart gaan. Ik heb niks met monsters of vampiers, al kunnen sommige mensen in mijn boeken zich wel monsterlijk gedragen. Ik moet het van menselijke verhoudingen hebben. Dat had ik ook weer met Littekens. Ik heb een zwak voor de personages uit dat boek: Clara, Boltrie, monsieur Martin – hoewel hij onmiddellijk verdwijnt uit het verhaal – en Paul natuurlijk. In hem heb ik veel van mijn zoon gestopt.

Paul is erg ziek geweest, is dat je zoon ook overkomen?
Ja. Niet alleen onze zoon, maar al onze kinderen zijn heel ernstig ziek geweest, alle drie kregen kanker. En alle drie leven gelukkig nog. Weliswaar na zware behandelingen, maar ze hebben het gered. Onze zoon was vrij jong toen hij kanker kreeg. Net als Paul kreeg hij een sarcoom op een spier, die verwijderd moest worden. Na zes jaar kwam het terug in zijn andere been en verleden jaar is hij weer geopereerd, in Australië waar hij met zijn gezin woont. Hij hoefde zijn been gelukkig niet te missen, maar het heeft zijn leven drastisch veranderd.
Toen we net de ziekte van onze zoon achter de rug hadden, kreeg onze jongste dochter, die in New York woonde, borstkanker. Daar zijn we toen bijna drie maanden geweest. En daarna was onze oudste dochter aan de beurt. Je houdt het niet voor mogelijk. Bij haar ging van alles mis door een veel te heftige bestraling. Ze heeft een tijd in het ziekenhuis gelegen en moest verschillende malen geopereerd worden. Maar ook met haar gaat het nu goed. 

Hoe hebben jullie je daar doorheen geslagen?
Elke keer als we dachten dat het voorbij was kwam het volgende slechte bericht. Het heeft ons de kwetsbare kant van het leven in volle omvang laten zien, we waren er voortdurend mee bezig. De onderzoeken, de angst en ook de opluchting. Onze kinderen zijn ondanks operaties, chemotherapieën, bestralingen, noem maar op, heel dapper en optimistisch gebleven. Dat heeft geholpen. Voor ons is het allerbelangrijkste dat ze leven en dat het goed met ze gaat. Dat vinden we echt een wonder. 

Ze hebben allemaal hun vleugels uitgeslagen. Hebben ze dat van jullie?
Misschien wel. Ik was heel jong toen ik Laurent leerde kennen en vertrok.

Ik ben opgegroeid op de Veluwe, in Harskamp: een heel klein dorpje. Mijn vader was bedrijfsleider van een modelboerderij die behoorde aan de familie Kröller-Müller. Een grote onderneming, met paarden, koeien, landerijen, boomgaarden en een heel kippenbedrijf.
Iedereen denkt altijd dat ik dat geweldig moet hebben gevonden. Nou, ik vond er niks aan. Ik houd van de natuur, maar niet van het boerenleven. Ik was bang voor koeien en paarden. Mijn moeder ook trouwens. Haar nachtmerrie was dat ze door een weiland met koeien liep, daar droomde ze vaak over.
Ik heb een gelukkige jeugd gehad, maar ik was erg blij dat ik weg was uit dat kneuterige dorpje. Met Laurent heb ik veel gereisd. Hij werkte bij een internationale organisatie. Samen hebben we veel verschillende vormen van samenlevingen ervaren.
En ja, ook onze kinderen vertrokken, ze hebben hun eigen weg gekozen. En dat is goed, je moet ze laten gaan, al is het met pijn in je hart. Mijn ouders lieten mij destijds ook los. En ondanks de afstanden spreken we onze kinderen vaak en hebben zij onderling ook veel contact.

Je ouders vertrouwden erop dat je je zou kunnen redden?
Ja, dat denk ik wel. En ze waren erg gelovig, vooral mijn moeder. Ik ben Nederlands Hervormd opgevoed. We moesten altijd naar de kerk in Otterloo, waar de vader van Jan Terlouw dominee was. Ik ben nog bij hem op catechisatieles geweest. Ik weet nog dat ik vroeg of je ook met een vijfenhalf in de hemel kon komen. Hij moest lachen en zei dat ik toch maar moest proberen een acht te halen. Hij kon mooi spreken, al vond ik de preken wel erg lang duren hoor. We keken altijd uit naar het pepermuntje van mijn moeder, dan waren we over de helft.

boekwijzer | anke de vries

In Littekens zegt een van je personages over Moeder Maria: ‘Onderschat Haar niet, Haar kracht reikt verder dan je denkt.’ Heb je veel van het geloof meegenomen?
Er blijft natuurlijk altijd wat hangen, je bent ermee opgevoed. Maar echt geloven doe ik niet. Ik denk dat je daar aanleg voor moet hebben en die heb ik niet. Mijn moeder wel, die is gelovig geboren, ze was een soort Nederlands Hervormde Maria. Ze had een absoluut vertrouwen in God, ze is ook heel vredig gestorven.

De rol van de barmhartige moederfiguur in het katholieke geloof heeft me altijd wel aangesproken, maar daar mocht je dan als protestantse weer níét in geloven.
Het citaat dat je noemt is ook een verwijzing naar het Portugese stel dat ons helpt in Frankrijk. Dos Santos heten ze, net zoals de garagehouder uit Littekens. Ik heb een enorme bewondering voor hen. Zij komt uit een gezin van zeventien kinderen en kwam op haar zeventiende in Frankrijk met haar man. Ze zijn met niks begonnen, hebben hun huis helemaal zelf gebouwd, gezorgd dat hun kinderen konden studeren. Zij zijn voor mij een groot voorbeeld. Zo open en goed en aardig. Ik ken weinig mensen die zijn zoals zij.

Zo zit Littekens ook vol persoonlijke verwijzingen. Kun je verklaren waarom het twaalf jaar duurde voor je weer een jeugdroman schreef?
Ik heb tussendoor nog wel een aantal boeken geschreven hoor. Vooral voor het leesonderwijs bij uitgeverij Zwijsen. Maar we zijn verhuisd naar Frankrijk en dan krijg je toch een ander leven. We hebben een grote tuin, die bijgehouden moet worden. Veel mensen over de vloer. Ook de ziekte van onze kinderen hakte erin, dan staat je hoofd niet naar schrijven. En vergeet niet dat het maken van collages ook veel tijd vergt.

Ging het schrijven weer vanzelf?
Nee, maar dat gaat het bij mij bijna nooit. Bij elk boek heb ik het gevoel dat ik een amateur ben. Ik weet nooit of het gaat lukken. Heel veel verdwijnt in de prullenbak. Lemniscaat heeft me wel veel geleerd. De vader van Jean Christophe (boekwijzer: hij was de eerste uitgever van Anke) zei tegen me: ‘Je slaat vaak een zijweg in en dan ga je borduren. Maar je moet strakker bij de rode lijn blijven.’ Ik betrap me er vaak op dat ik teveel afwijk. Ik ben er beter in geworden om stukken weg te gooien.

Ook bij Littekens heeft Lemniscaat een grote rol gespeeld. Ik had het manuscript aan Jean Christophe laten lezen en vroeg hem of het de moeite waard was, of ik ermee door moest gaan. ‘Absoluut,’ zei hij, ‘maar ik vind het jammer dat je bijna onmiddellijk vertelt wat er met Paul aan de hand is. Dan is de spanning er vanaf. Denk daar nog eens over na.’

Kun je daar goed mee omgaan?
Ja, daar heb ik geen moeite mee. Als ik het juiste kritiek vind – en dat vind ik vaak – wordt het boek alleen maar beter. Hij heeft ook weleens ongelijk hoor en dan verander ik het niet.

In het geval van Littekens heb ik het verhaal eerst een poos laten liggen, om afstand te krijgen. Daarna heb ik het hele eerste gedeelte weggelaten en ben ik begonnen bij de ontmoeting tussen Paul en Clara. Nu kom je pas veel later te weten wat er met Paul aan de hand is 

Het komt in je boeken niet altijd goed, in Littekens zit ook verdriet.
Het oppaskindje van Clara is overleden, dat kan ik niet mooier maken dan het is. Al denk ik dat het bijna nog erger is als je niet weet wat er met je kind gebeurd is, dan wanneer je het – zoals in Littekens – uiteindelijk ontdekt. Ook Paul krijgt veel te verwerken; niet alleen kan hij zijn droom niet verwezenlijken, hij moet verder met een levenslange onzekerheid. Maar zulke dingen gebeuren helaas.

9789060698310Ik moet ook meteen denken aan Judith uit misschien wel je populairste boek Blauwe plekken, zij koopt aan het einde van het boek een enkeltje Den Haag…
Heel veel kinderen hebben me gevraagd of ik een vervolg wilde schrijven. Maar dat doe ik niet. Ik kon het niet anders laten eindigen dan op deze manier, omdat ik echt niet weet hoe het verder met haar zal gaan. Terwijl ik schreef zag ik Judith bijna als in een film naar Den Haag vertrekken.

Ik heb het boek in kleine stukjes geschreven. Soms een halve, soms een hele bladzijde of een alinea. En dan liet ik het weer liggen. Ik las niets over. Toen ik bijna af had dacht ik: dit is te gek, misschien klopt het helemaal niet. Op een ochtend ben ik gaan zitten en las ik het hele manuscript. Ik dacht: ik moet er niets aan veranderen, het is goed zo. 

Hoe kwam je op het verhaal?
Ik las in een tijdschrift over een moeder die vertelde dat ze haar kind mishandelde en dat ze hulp was gaan zoeken. In therapie was ze erachter gekomen dat ze nooit had kunnen verwerken dat haar broer altijd werd voorgetrokken. Toen ze een dochter kreeg die als twee druppels water op haar broer leek, kon ze zichzelf niet in de hand houden.

Het was misschien wel het meest intense boek om te schrijven. Weet je dat ik er daarna een jaar niet uit voor kon lezen. Ik raakte steeds geëmotioneerd als ik in de huid van Judith kroop. Dat werd langzaamaan minder. 

Heb je meegemaakt dat kinderen zich in het boek herkenden?
Helaas vrij regelmatig. Op scholen merkte ik vaak snel of er iets was met een kind. Er was een meisje dat me vertelde dat ze het boek in de bibliotheek had gelezen Omdat ze in dezelfde situatie als Judith zat, kon ze het niet mee naar huis nemen. Toen ik haar later nog een keer zag, vertelde ze me dat ze uit huis was gegaan en dat ze af en toe weer met haar moeder praatte. Dat har moeder haar verteld had dat ze vroeger zelf ook mishandeld werd. Heel aangrijpend.

Ik heb ergens gelezen dat je in al je boeken wel iets van jezelf stopt. Wie heeft het meest van je in Littekens?
Je stopt in elke figuur wel stukjes van jezelf, maar ik voelde me erg verbonden met Boltrie, de rechercheur. De manier waarop hij de omgeving waarneemt, zijn observerende houding als hij iemand ontmoet… Hij is – net als ik – vrij intuïtief. Ik voel meestal snel aan of het zal klikken met mensen of niet. Tussen Boltrie en Paul klikt het, Paul heeft vertrouwen in hem en voelt zich goed in zijn buurt. Net zoals hij zich op zijn gemak voelt bij zijn tante Martine en haar man Pierre, die laten hem met rust.

Vind je het spannend hoe het boek ontvangen wordt?
Ja, toch wel. Het is natuurlijk ontzettend leuk als anderen met je verhaal meeleven en daar plezier aan beleven. Iedereen leest een boek weer anders. De een vindt het mooi of spannend, de ander vindt er niets aan. Maar als ik schrijf denk ik nooit aan lezers, ik ben alleen bezig met de personages in het boek. Ik moet het ook altijd helemaal afmaken, anders blijven die figuren maar rondspoken in mijn hoofd, dan kan ik er niet van afkomen.

Komt er nog een nieuw boek?
Er is nog een prentenboek in de maak. Voor de hele kleintjes. Maar of er nog een jeugdboek in zit? Aan de ene kant vind ik het heerlijk om me in een verhaal te verdiepen, aan de andere kant ben je dan gedwongen om je af te zonderen. Die dwang leg je jezelf op natuurlijk, maar ik houd zo van vrijheid, van niets te moeten of te hoeven.

Ik kan me nog goed herinneren dat Jean Christophe me belde voor het Kinderboekenweekgeschenk. Dat was in 1993. Ik kreeg spontaan spit. Ik dacht altijd: als ze me ooit vragen, doe ik het niet. Ik kan niet goed omgaan met móéten schrijven en al helemaal niet met een deadline. Maar het Kinderboekenweekgeschenk Fausto Koppie kreeg ik gelukkig op tijd af.
Ik leid op het ogenblik zo’n vrij en vol leven, maar wie weet… Als er een verhaal komt, kan ik het toch niet tegenhouden.

boekwijzer | anke de vries
boekwijzer | anke de vries
boekwijzer | anke de vries

Je ogen gaan stralen als je over Frankrijk vertelt. Heb je zin om terug te gaan?
Ja, dat heb ik zeker. Waar je ook kijkt en waar je ook naartoe gaat, het is overal mooi in onze omgeving. Al die landweggetjes, de brem, lavendel en zonnebloemen. Onze tuin, waar we ons een ongeluk in werken. Maaien, snoeien… we hebben negenendertig eiken. Ik ben gelukkig met Laurent aan mijn zijde, met onze prachtige kinderen en kleinkinderen, en ook dat ik in Frankrijk woon en me nog zo goed voel. Ik heb heel veel geluk gehad in mijn leven.

Dit jaar word ik tachtig. Het ouder worden hoort erbij, maar vanbinnen blijf ik dezelfde. Dat verwondert me soms. Misschien komt het ook door het leven in Frankrijk. Het verloopt op een ander tempo, heel ongedwongen. Het is voor mij zoals het leven moet zijn. Laurent en ik zeggen vaak tegen elkaar: we hoeven niks meer, we wonen al in het paradijs.

BOEKWIJZER