IN GESPREK MET ELS PELGROM
‘Mijn verbeelding laat me nooit in de steek’

boekwijzer

Els Pelgrom | boekwijzer

boekwijzer

Els Pelgrom woont in een licht appartement in een gebouw van het Leger des Heils in Amsterdam. De sfeer is er prettig. De kamers hangen vol met schilderijen, de meeste van haarzelf. Schilderen en schrijven… als kind al wist ze al dat dát was wat ze wilde.
Ze had een paar jaar een kinderrubriek in een krant, ze schreef voor Wolters-Noordhoff, ze was een specialist in dyslexie, werkte op een LOM-school. Op haar vijfentwintigste schreef ze zelfs al een boek: Het geheimzinnige bos. Het was mooi uitgegeven en kreeg goede recensies, er werd zelfs een hoorspel van gemaakt, maar toch…

De échte doorbraak kwam met De kinderen van het achtste woud. Dik vijftien jaar na Het geheimzinnige bos….
Er waren daarvoor teveel zaken die me tegenhielden. Om te beginnen ontbrak het me aan zelfvertrouwen. Ik geloofde helemaal niet dat ik een boek zou kúnnen schrijven. Dat had zeker met mijn opvoeding te maken. Ik ben opgegroeid in een onveilige thuissituatie en moest al vroeg op eigen benen staan. Om een verhaal te schrijven heb je ruimte nodig, je moet je hoofd leeg kunnen maken. Dat kon ik niet. Eerst moest ik werken om te eten, en later, toen ik getrouwd was, werkte ik én had ik een gezin draaiende te houden. Mijn leven was te druk voor een boek.

Frustreerde dat u niet?
Eerst niet. Nu is dat niet meer voor te stellen, maar toen was het normaal dat ik de dienstbare taak op me nam. Ik deed de dingen die ik deed met plezier en ik was ontzettend trots op ons gezin. De periode dat de kinderen klein waren, zijn misschien wel de mooiste jaren van mijn leven. In Oost-Groningen hadden we een kunstenaars-commune, het ICW. We hadden altijd mensen over de vloer, kunstenaars die nachten kwamen eten, drinken, praten. Het was een heel rijk leven, maar het was ook veel, bijna te veel. Maar het was pas toen de kinderen groter werden, dat ik merkte dat er te weinig ruimte overbleef voor mijzelf. Toen ik veertig werd, dacht ik: als ik nu niet ga schrijven, dan doe ik het nooit meer. Ik moet weten of ik het kan. En als het niet lukt dan stop ik er ook mee.

Hoe creëerde u de ruimte en tijd die nodig was?
De laatste jaren van mijn huwelijk waren lastig. Mijn man gaf les op de academie, hij zat in oneindig veel commissies en ik deed alles voor hem: al zijn post, al zijn afspraken. Dat was niet het enige. Het ging in die tijd ook niet goed met hem. Hij dronk te veel. Ik had het idee dat hij langzaamaan gek werd. Er moest iets gebeuren. Op een bepaald moment heb ik een knoop doorgehakt. Ik heb hem gezegd: ‘Ik ben je secretaresse niet meer.’ Op zijn werkkamer ontstond een enorme berg brieven. Alles liep in het honderd. Eigenlijk zag ik toen pas in wat een zonderlinge taak ik had. Toen ben ik aan dat boek begonnen. Drie maanden later is hij vertrokken.

Hoe ging u verder?
Nadat hij weg was gegaan, heb ik aan één ruk doorgeschreven. Het was een zware, verdrietige tijd. In Groningen kon ik geen werk krijgen en dus verhuisde ik met de kinderen naar Amsterdam. Ik werkte in hotels, maakte schoon, ik deed van alles. Het enige lichtpuntje was dat ik ruimte had om te schrijven. Het ging moeizaam, maar het ging. Dit was het verhaal dat ik altijd had willen vertellen. Het boek dat zo lang had moeten wachten. Het gaat over de belangrijkste periode in mijn leven. Over de tijd die ik als kind tijdens de oorlog doorbracht bij een gezin in een boerderij. Daarom moest het ook een kinderboek worden. De kinderen van het Achtste woud gaat over mij, als kind.

Els Pelgrom | boekwijzerHoe autobiografisch is het verhaal?
Ik was een meisje dat haar ogen en oren wijd open had, altijd. Al die beelden heb ik in het boek gestopt, maar er zijn ook stukjes die ik heb verzonnen. Zo wordt er in het bos een Joods meisje geboren waar hoofdpersonage Noortje zich over ontfermt. Dat deel van het verhaal is niet echt, maar ik wilde laten zien dat zulke dingen kónden gebeuren in die tijd. Het wondelijke is dat tante Janne, de moeder des huizes, me later vroeg hoe ik toch wist van die familie in het bos waar een baby’tje was geboren. Het bleek wel gebeurd te zijn, nog voordat ik bij hen kwam wonen. Het gezin was opgepakt. Ik moet er ergens iets over hebben opgevangen, of iets hebben gevoeld.
En ik was daar niet alleen, mijn ouders, een broertje en twee zusjes waren er ook. En nog veel meer evacuees. Lang niet iedereen heeft een plek in het verhaal gekregen, met al die mensen erbij werd het boek te vol
Vooral de warmte van het boerengezin, de vanzelfsprekendheid waarmee zij mij omarmden zijn me het meest bijgebleven, dat merk je als je het boek leest.

De kinderen van het Achtste woud won meteen een Gouden Griffel…
Nadat het boek in de winkels lag, duurde het wel een half jaar voordat ik er überhaupt wat over hoorde. Ik ontving een brief van een oudere man uit Oosterbeek, hij vertelde me dat hij zich zo in het verhaal herkende. Toen kwam opeens die Griffel en begon het te rollen. Ik ontving bergen en bergen post, het was werkelijk overdonderend. Toch ben ik me altijd bewust geweest van de betrekkelijkheid van dat alles. Het succes kan ook griezelig zijn, ik ga er niet prat op. Het was voor mij vooral heel erg fijn dat het verhaal gelezen werd en dat het goed verkocht werd.
Toen het boek uitkwam heb ik een werkbeurs aangevraagd en gekregen, voor drie maanden. In die tijd werkte ik in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. Er heerste een nare sfeer, ik had daar denk ik het laagste baantje dat er was: boeken stempelen. Door de beurs kon ik ontslag nemen. Ik ben geen bestsellerschrijver, ik kon heus niet meteen helemaal van mijn boeken leven. Ik heb nog veel vertaald, in opdracht geschreven, redactie-achtig werk gedaan, maar ik kon er al met al wel van leven. Prijzen en geld, dat is Het Rad van Fortuin.

Uw eerste boeken vertelden over het ‘echte leven’, daarna sloeg u een andere weg in…
Na De kinderen van het Achtste woud kwamen nog De zwervers van de Zakopane en De drie Japies, die waren nog realistisch. Daarna ben ik meer en meer fantasieverhalen gaan schrijven. Terwijl ik daar helemaal niet zo’n uitgesproken voorstander van was. Eerlijk gezegd kwamen ze tegen heug en meug. Maar het bleek spannend te zijn en veel leuker dan het beschrijven van de werkelijkheid. Ik had er geen theorie bij en ook geen bedoeling. Het was er gewoon. Ik zag het allemaal voor me. Eerst kwam De Olifantsberg, een boek over dieren op een berghelling in Umbrië en daarna Lady Afrika, een echt fantasy-verhaal.

Die boeken sloegen nog niet echt aan, maar toen verscheen Kleine Sofie en Lange Wapper…els pelgrom | boekwijzer
Dat werd mijn tweede Gouden Griffel. Het was ontzettend fijn om te merken dat ook deze vorm van schrijven waardering kreeg. Thé Tjong-Khing was, zoals bij bijna al mijn boeken, de illustrator. Wij voelden ons vrij, want ik had in die tijd geen uitgever. Querido heeft het boek uiteindelijk uitgegeven. Kleine Sofie heeft me veel laten zien over de manier waarop ik verhalen beleef. Wat is echt, en wat is niet echt? Dat zijn interessante vragen, zeker als je in je herinneringen duikt. Ik vind het vreemd dat alles wat niet realistisch is een sprookje wordt genoemd. Bij Kleine Sofie was ik daar voor het eerst ook echt boos over. Het onbenul van recensenten die haar belevenissen afdeden als een koortsdroom… Ik wilde juist dat het écht was. Dat Alice, uit Alice in wonderland aan het einde van het boek wakker wordt, dat vind ik verraad aan het genre. Dan is de lol er voor mij af.

Kunt u uitleggen hoe u haar verhaal beleeft?
Sofie is heel erg ziek, ze gaat dood. Maar wat ze beleeft met Lange Wapper is geen droom, het is ook niet geboren uit angst. Het is het tegenovergestelde. Sofie wil weten wat er allemaal gebeurt in het leven. Ze is nieuwsgierig. Of zoals poes Terror het in het verhaal zegt: ze wil weten wat er in het leven te koop is. En dat is precies wat Lange Wapper haar laat zien, in volle omvang.
De mystiek van de vertelling spreekt me aan, het magisch realisme zo je wilt. Het is als met religie. Daar zijn de prachtigste beelden uit ontstaan, waar mensen werkelijk in geloven, terwijl niemand echt weet wat de waarheid is. Maar in God geloven mag niet meer. Ik heb het gevoel dat er daarom steeds meer vraag is naar fantasy, ook voor volwassenen. De opkomst van games en series lijkt gelijk op te gaan met het leeglopen van de kerk.
Onlangs zag ik de film El labyrinto del Fauno van Guillermo del Toro. The Shape of Water van hem is ook zo mooi. Met dat werk voel ik me verwant. Hij vertelt een heleboel over het leven in de vorm van beelden, op een manier die heel nuchtere mensen nooit zullen begrijpen en beleven. Ik denk dat mijn verhalen in die wereld passen. Als je daar niet in gelooft, kun je mijn boeken beter niet lezen.

Of uw boeken nu realistisch zijn of niet, voor u zijn ze allemaal echt?
Mijn verhalen, die ben ik zelf. Ze laten zien hoe ik kijk, hoe ik het leven beleef of beleefd heb. Mijn geheugen stelt me in staat om gesprekken, plekken, gebeurtenissen letterlijk terug te halen. Mijn kindertijd zie ik nog haarfijn voor me. Daarom kon ik ook kinderboeken schrijven. En ik heb een rijke fantasie. Als kind verzon ik al verhalen. Zodra ik in mijn bed lag en mijn ogen sloot, opende mijn verbeelding hele werelden. Het gebeurde gewoon. Die magie zit in al mijn boeken, ze zijn in mijn hoofd allemaal echt gebeurd.

Las u zelf als kind ook veel?
O ja! Selma Lagerhöf was een groot voorbeeld, Nils Holgersson een lievelingsboek. Voor de Wenteltrap-serie heb ik dat boek zelfs nog mogen bewerken. Ik vereenvoudigde zinnen om dit prachtige verhaal ook voor kinderen met leesproblemen toegankelijk te maken. Selma Lagerhöf beschreef dingen die eigenlijk niet echt kunnen zó dat je er helemaal in verdwijnt. Zo mooi kan onze verbeelding zijn. Zo schrijven, dat heb je of dat heb je niet. Ik geloof dan ook niet in schrijfcursussen voor volwassenen, en ook niet in schrijven volgens een recept. Al die regeltjes. Als je een goed instinct hebt, heb je dat niet nodig.

Maar het is wel hard werken, het schrijven…
Een boek schrijft zichzelf niet, het is een taai werk. Steeds opnieuw, keer op keer, totdat het goed is, totdat het allemaal klopt. Toen ik De straat waar niets gebeurt schreef, woonde ik alleen in Granada. Mijn buurjongetjes kwamen bij mij thuis op mijn typmachine leren typen. Die jongetjes, die straat, het uitzicht uit mijn raam heb ik allemaal beschreven. Ik liet een fantastisch verhaal plaatsvinden in de straat waar niks gebeurde. Ik kroop in het hoofd van een van die jongetjes en liet hem fantaseren. Zijn fantasieën lopen over in realistische verhalen, zoals de ontvoering van een prinses en een kikkerregen aan het einde van het boek. Het was niet zomaar gedaan, het was een moeilijk boek om te schrijven. Het is veel makkelijker om dingen te beschrijven die echt gebeuren. Zoals De eikelvreters, dat boek heb ik echt in drie maanden geschreven.

De eikelvreters vertelt het verhaal van de jeugd van uw tweede man, de Spaanse Salvador…
Net als De kinderen van het Achtste woud was De eikelvreters een boek dat ik móést schrijven. Het gaat over de jeugd van Salvador in een Andalusisch daglonersgezin. Er is geen letter van verzonnen, de mensen in het boek hebben allemaal geleefd. Ik wilde de wereld laten zien hoe het er in Spanje aan toe ging na de burgeroorlog, onder Franco. Het is een heftig boek en beslist niet geschikt voor kinderen. Daarom kon ik ook bijna niet blij zijn met de Gouden Griffel die het won. Het boek is voor young adults en volwassenen. Ik heb ouders De eikelvreters altijd afgeraden: koop het niet voor uw kind. Alleen het eerste hoofdstuk al. Je jaagt kinderen de stuipen op het lijf. ‘Heftig en hard’, dat zegt mijn zoon altijd als hij het over mijn boeken heeft, en misschien heeft hij daar wel gelijk in.

Welke van uw eigen boeken is u het meest dierbaar?
Het onbegonnen feest, een vervolg op De Olifantsberg, vind ik het best gelukt.De dieren in het boek vertolken eendimensionale persoonlijkheden. Ik beschrijf de manier waarop ze met elkaar omgaan heel eerlijk. Zo steekt de luie Pad nooit een poot uit. Hij bekijkt alles, hij hoort alles, hij begrijpt veel, maar hij doet absoluut niks. Hij is aartslui. Moeder Pad is mijn eigen moeder. Ze komt op bezoek en ze zijn blij als ze weer weggaat. Dat is niet leuk, maar zo was het in het echte leven ook. Ik had altijd maagpijn als ze kwam. De Zeugster heeft de neiging om eeuwig te vertroetelen en te verzorgen. En zo zijn er nog veel meer… Ik zeg nog vaak tegen mezelf: ‘je moet niet meer zo zeugsteren’, of: ‘vandaag mag ik Pad zijn.’ In alle figuren zit ik zelf, behalve in Wolf, dat is een hippie. Hoewel het boek nog wel een Zilveren Griffel kreeg, denk ik niet dat anderen het ook mijn beste verhaal vinden.

U schrijft al een hele tijd geen kinderboeken meer. Wat gebeurde er?
Ik heb na de Eikelvreters nog best wat geschreven. Ongeboren Ralf en Bombaaj!, het Kinderboekenweekgeschenk, een trits boeken voor uitgeverij Zwijsen, nog een boekje voor Leopold, één voor Averbode, hervertellingen van klassiekers, zoals Frankenstein…
Maar toen had ik er opeens genoeg van. Ik dacht: het is op en mooi geweest, ik ga met pensioen. Ik heb me er niet helemaal aan gehouden, want toen ik werd gevraagd om de Griekse mythen te bewerken met Thé Tjong-Khing kon ik niet weigeren. Dat was een heerlijk project. Hij heeft dat ook zo prachtig gedaan. Hij verdiept zich, net als ik. De mythen zijn duidelijk voor alle leeftijden.

Els Pelgrom | boekwijzerOok daarna bent u niet stil gaan zitten…
Zeker niet, ik moet er niet aan denken. Ik wil altijd iets maken. Iets wat kan blijven. Toen ik stopte met schrijven ben ik weer gaan schilderen. Dat blijkt toch ook magisch. Zo’n plankje, wat is dat nou helemaal? Maar je schildert en je schildert en na een paar maanden is het wat. Ik herinner me nog goed dat ik een aantal jaren niet geschilderd had en het weer wilde proberen. Ik gunde mezelf niet eens een stukje triplex, eerst moest ik laten zien dat ik het nog kon. Bij de vuilcontainer vond ik de deksel van een wijnkistje. Dat is het slechtste hout, en er zit ook een gaatje in. Het werd een van mijn beste schilderijen.

En u bent ook weer gaan schrijven…
Dat heb ik een tijd niet gedaan, maar nu ben ik inderdaad weer aan het schrijven, voor volwassenen. Het is fijn om daarmee bezig te zijn. Ik zeg voor de grap weleens dat ik in alle opzichten mislukt ben. Eigenlijk had ik schilderes moeten worden en voor volwassenen moeten gaan schrijven. Maar misschien is dat toch wat overdreven. Ik heb in mijn leven veel meegemaakt, veel gereisd, veel uitgeprobeerd. Ik heb wel zeven levens geleefd. Zeven afgeronde levens met een kop en een staart. Al die levens zitten min of meer in mijn boeken en in mijn schilderijen. Zij vertellen mijn verhaal.

Els Pelgrom | boekwijzerWelk leven leeft u nu?
Sinds twee en een half jaar woon ik op deze plek. Ik moest even wennen, maar ik voel me nu goed hier. De mensen zijn aardig, het is een harmonieus geheel. Ik vul mijn dagen met schrijven, lezen, schilderen. Ik maak me druk om de dingen die zo verschrikkelijk fout gaan. Over het klimaat, over wat we doen met vluchtelingen, over mensen die maar oordelen zonder te weten wat er speelt. Ik verafschuw de hebzucht en hoogmoed die alles kapot maken. Tegelijkertijd ben ik in dat alles veel meer gelaten dan vroeger. Ik kan de wereld niet redden. En dat geeft me rust.
Ik denk niet dat ik hier nog weg zal gaan. En omdat mijn gezondheid niet goed is, reis ik ook niet meer. Dat is erg, maar ik heb altijd mijn herinneringen nog. Er zijn zoveel momenten, plekken, mensen en gesprekken die ik kan terughalen. Mijn verbeelding laat me nooit in de steek.