KROONSZ

MARCO KUNST

Oef, wat een goed boek!

Marco Kunst, bekend van onder andere het met Vlag en Wimpel bekroonde boek Vlieg! (2014), werkte maar liefst acht jaar aan Kroonsz. En dat is te merken, Kroonsz is een verbluffend rijk verhaal rondom het mysterie van leven en dood. Best een zwaar thema, erkent Kunst zelf, maar dat is nu eenmaal waar dit grootse boek werkelijk over gaat. Hoofdrolspelers zijn Zacharias Kroonsz, zijn zoon Wessel en de scholieren Pink en Bor.

Zacharias Kroonsz is een zeventiende-eeuwse arts. Om zich te verlossen van zijn angst voor de gehoornde duivels en het eeuwig brandende hellevuur waarmee zijn vader hem zijn jonge leven lang om de oren predikte, heeft hij besloten zich te richten tot de moderne wetenschap. ‘Medicijnen, het vakgebied dat zo ver mogelijk verwijderd was van het gruwelijke geloof van zijn vader.’

In september 1670 betrekt Kroonsz zijn zoon Wessel in een mysterieus onderzoek. ‘Alles wat leeft heeft een levenslijn die zich door tijd én ruimte uitstrekt. (…) Ik ga die levenslijnen zichtbaar maken. Ik wil laten zien hoe ze korter worden met het verstrijken der jaren, en hoe ze verdwijnen als iemand sterft. Als ik de levenslijn van mijn patiënten zou kunnen zien… dan weet ik of iemand niet meer te redden is of dat verzorging nog zin heeft.’

Samen bouwen ze aan hun kronoscoop, het apparaat dat levenslijnen zichtbaar en misschien zelfs bespeelbaar moet maken. Wessels opwinding over hun vorderingen is dan nog zo sterk dat hij zorgen over eventuele gevaren terzijde schuift: ‘Al snel had hij besloten dat hij eerst wilde kijken hoe ver ze kwamen. Daarna konden ze altijd nog nadenken over de mogelijke gevolgen.’ Maar als Geertje, de moeder van Wessel, sterft, begint Wessel zich zorgen te maken over te motieven van zijn vader. ‘Wetenschappelijk denken en de liefde van Geertje hadden hem beschermd. Maar nu?’ Kroonsz bijt zich vast in het onderzoek, uit een krankzinnig verlangen zijn vrouw terug te halen uit de dood. Als de kronoscoop hem vertelt dat hij zelf nog maar tien dagen te leven heeft, slaat de waanzin toe. In een wanhopige poging de dood te slim af te zijn, breekt hij met alle natuurwetten en creëert hij een ‘Torn’: een afgrondelijk gat in het weefsel dat leven en dood van elkaar scheidt.

Marco Kunst vertelt dat het idee van de Torn komt van een verhaal dat hij eerder schreef: ‘over Johanna de Waanzinnige. Daarin ziet ze, terwijl ze aan een weefgetouw zit, voor zich hoe de levens van alle mensen verweven zijn, zoals de lijnen van het wandtapijt dat ze weeft. Dat beeld bleef maar in mijn hoofd zitten. Ik dacht: als ik dat nou eens letterlijk neem?’ Als dat weefsel dat leven en dood van elkaar scheidt werkelijk bestaat dan kan het ook scheuren, een Torn veroorzaken.

Het verhaal uit de zeventiende eeuw wordt afgewisseld met fragmenten uit 2013. De populaire, knappe Pink en eenzame Bor raken allebei in de ban van een aantrekkelijke, mysterieuze jongen die steeds aan hun schoolplein verschijnt. De lezer snapt al snel dat het om Wessel gaat. Zacharias Kroonsz is niet gestorven, en Wessel ook niet. Eeuwen zijn verstreken; eeuwen die Wessel mistig, als verlengstuk van zijn vaders krankzinnigheid heeft beleefd. Eeuwen waarin Kroonsz zijn macht over levenslijnen steeds meer is gaan misbruiken en de Torn steeds verder is uitgescheurd. Wessel realiseert zich dat hij de Torn moet dichten en zijn vader moet stoppen. Maar dat kan hij niet alleen, daarvoor heeft hij Pink en Bor nodig.

De aanloop naar de plot, het moment dat verleden en heden samenkomen, leest als een van de spannendste films die ik ooit heb gezien. Het is bijna onmogelijk het boek dan nog weg te leggen. En als het verhaal af is, is het ook echt af… rond, gesloten, gedicht.

De mystieke Torn, die zo’n aantrekking heeft op Zacharia Kroonsz, zoog mij als lezer definitief het verhaal in. Kunst noemt de Torn een middel, niet een doel op zich: ‘Als schrijver neem ik de vrijheid om magische elementen zoals de Torn toe te voegen. Maar die staan altijd in dienst van mijn verhaal en dat verhaal staat midden in de werkelijkheid.’

Magische elementen worden vaker ingezet door auteurs in boeken met realistische verhaallijnen. Zo denk ik aan Julia’s reis, waarin auteur Finn Zetterholm Julia – een creatief meisje uit onze tijd – een reis langs zes beroemde kunstenaars uit het verleden laat maken. Zetterholm had magie nodig om Julia in contact te brengen met genieën uit vroegere eeuwen.

En ook – hoe kan het anders – schieten mijn gedachten terug naar 199o, het jaar dat ik kennismaakte met de materietransmitter van dr. Simiak en Kneveltoer en door Rudolf Wega van Amstelveen werd meegesleept in zijn onvergetelijke kruistocht in spijkerbroek. Beckmans materietransmitter – die het boek zo’n gevleugelde start gaf – was eigenlijk een noodsprong, zo vertelde ze: ‘In het begin vond ik het schrijven heel moeilijk, omdat de middeleeuwer zo anders was dan wij zijn. Ik dacht, laat ik nou een twintigste-eeuwer nemen en in een tijdmachine stoppen. Die staat er net zo raar tegenaan te kijken als ik.’

Kunst neemt jongeren van nu als uitgangspunt om het verhaal voor de lezer dichterbij te halen. Deze jongeren (en ook Zacharias Kroonsz) laat Kunst gevoelens beleven die iedereen herkent (onzekerheid, liefde, angst, verdriet, eenzaamheid). Daardoor én door het uitgebreide vooronderzoek over de Gouden Eeuw en het spanningsveld waarmee filosofen en wetenschappers in die tijd te maken kregen, slaagt Kunst erin het tijdsbeeld van de zeventiende-eeuwers concreet te maken. Daarnaast vlecht hij eindeloos veel weetjes zijn verhaal in (over bijvoorbeeld Spinoza, de gebroeders Huygens en Jan Swammerdam).

Het magische element mag dan een middel zijn, het geeft de boeken onmiskenbaar iets sprookjesachtigs mee, of zoals Kunst het zegt: ‘iets metaforisch, een symbolisch beeld dat je aan het denken zet.’ Dat Kroonsz je tot denken stemt ervaar ik al een paar dagen in levenden lijve. Of de Torn aan Kroonsz eenzelfde tijdloosheid zal schenken als de materietransmitter Kruistocht in spijkerbroek gaf, zal alleen de tijd ons kunnen leren. Ik heb er vertrouwen in.