BOEKWIJZER INTERVIEWT EDWARD VAN DE VENDEL

Op de laatste dag van juni mag ik Edward van de Vendel interviewen. De zon schijnt en dus spreken we af op een terras in Rotterdam, de stad waar Edward woont.

Sinds zijn eerste boek in 1996 uitkwam, is de productie van deze bijzondere schrijver enorm. Het afgelopen jaar – waarin drie grote boeken verschenen – noemt hij zelf krankzinnig.

Het café blijkt een vaste werkplek te zijn. De stilte van het huis werkt averechts, vertelt hij me. Schrijven op een plek waar veel mensen en veel geluiden zijn, werkt wel. Gelukkig denk ik daar precies hetzelfde over. In mijn nopjes, want omgeven door geroezemoes van kletsjes, geruis van auto’s en gerinkel van kopjes, pak ik mijn vragenlijstje erbij.

Boekwijzer | Edward van de Vendel
©Foto: Jota Chabel

Ik ga jou nu interviewen, maar je interviewt zelf ook niet de minsten. John Green een tijd geleden in de Balie, hoe was dat?
Het was geweldig om hem te spreken. Ik kende hem al een beetje. Dat hielp ook wel. Ik heb een keer een middag met hem doorgebracht waarin we gewoon wat hebben gekletst. Dat kan nu allemaal niet meer, toen nog net wel…

Op een bepaald moment in 

het interview
 vertelt John dat een van de lessen uit Een weeffout in onze sterren is dat een boek je wat kan vertellen over vragen waar je zelf mee zit. Boeit een boek je? Dan loont het om je af te vragen waarom…
Hoewel ik probeer de dingen van het leven en ook het schrijven van mijn boeken niet te veel te verklaren, is het toch vaak zo dat ik achteraf – soms jaren nadat het boek geschreven is – min of meer begin te begrijpen welke plek het had in mijn leven. Bij het lezen van boeken is dat ook zo. Er zit een kracht in boeken die niet te begrijpen is. Niet dat het iets magisch is, maar het speelt zich af in een gebied van je hersens dat je niet in een abc kunt verklaren. Synapsen, of wat het dan ook zijn, gaan verbindingen aan die je niet kunt snappen of controleren, maar die er wel uit komen.

Kun je een voorbeeld geven uit je eigen leven als schrijver?
Ik was eens in een klas en daar zei een kind van twaalf die een paar boeken van mij had gelezen: ‘Weet u wat u altijd doet? U schrijft altijd vanuit deze hoek.’ Hij legde uit dat ik schrijf over hoofdpersonen die niet per se heel dapper zijn, maar die gedwongen worden om zich dapper op te stellen, omdat ze in een situatie komen waarin ze iets moeten doen of laten. Hij had gelijk. Zeker wat betreft de boeken die ik toen geschreven had, maar nog altijd wel…

Je boeken moeten ergens over gaan, is dat wat je bedoelt?
Voordat ik schrijver werd, heb ik lang lesgegeven. In de klas voelde ik dat ik op mijn plek was, en kinderen soms echt kon helpen. Die tijd was bijzonder, geweldig, afmattend ook en het gaf een zekere legitimiteit aan mijn ‘zijn’ op deze wereld. Het schrijven leek mij daarentegen in eerste instantie iets wat ik alleen maar voor mezelf zou doen. Daarom wilde ik het lesgeven ook niet opgeven. Totdat mijn vierde boek – De dagen van de bluegrassliefde – uitkwam. Daar kreeg ik opeens veel en hartstochtelijke reacties op. Ik kwam erachter dat de boeken die ik schreef soms toch ook écht waardevol kunnen zijn voor kinderen en jongeren. Dus dat is nu voortdurend de zoektocht.

De dagen van de bluegrassliefdeHoe werkt die zoektocht bij jou?
Ik probeer het te visualiseren: dat iemand een boek dat ik schrijf aan zijn hart drukt, met zijn hart leest, in zijn hart sluit. Door De dagen van de bluegrassliefde kreeg ik door dat een boek pas af is als er publiek is voor wie het iets betekent. Ook al is dat publiek heel klein, dat maakt in principe niet uit. Die ontdekking heeft mijn leven veranderd.

Maar er is meer. Een geweldige leerkracht is degene die zijn hele persoonlijkheid inzet en tegelijkertijd de kinderen goed in het oog houdt. Een schrijver moet dat ook doen. Ik mag kinderen de dingen die ik belangrijk vind, waarvoor ik in vuur en vlam sta, niet onthouden, maar ik wil ook op hen letten. Kinderen hebben – veel meer dan volwassenen – een onvoorwaardelijke rolbrug, die ze uitrollen naar de hoofdpersoon zodra ze het boek beginnen te lezen. Dat is een geweldig vermogen én een precaire rijkdom, waar wij dan weer heel voorzichtig mee om moeten gaan. Ik wil geen dingen schrijven die alleen maar waardevol voor mijzelf zijn. Dat voelt niet goed. Anderen mogen dat doen en daar komen ook prachtige boeken uit, maar ik merk dat ik werkelijk gelukkig word als ik van een lezer, al is het er maar één, hoor dat een van mijn boeken iets betekende.

 

sofie-dolfijnen-225Wat bedoel je als je zegt dat je geen dingen wilt schrijven die alleen maar waardevol voor jou zijn?
Er zijn onderwerpen die ik heel interessant vind, maar als ik me dan afvraag voor welk kind dat ook zou gelden, kom ik tot de conclusie dat het alleen de vijftigjarige in mij is die er meer over wil weten. Zo zou ik best graag wat over mijn moeder willen schrijven, zij is vorig jaar overleden. Maar dan ben ik te veel over mijzelf aan het praten. Het kan ook anders. In Sofie en de dolfijnen komt een oma voor die dezelfde ziekte heeft als mijn moeder had. Ik kon er zo over schrijven dat het klopte, maar ik heb het niet het hoofdthema van het boek gemaakt. Het hoofdthema was dát wat het voor Sofie oplevert. Ik schrijf die boeken eigenlijk voor een Sofie, naar de armen van zo’n meisje toe. Ze moeten daar belanden! Nou ja, het is ook weer niet zo dat ik bladzijde voor bladzijde zit te denken: zou een kind dit snappen, maar ik zoek wel constant naar de balans. Wat is leuk voor kinderen en waar kan ik waarlijk over schrijven.

Waarlijk schrijven, dat is wel typerend voor jouw werk.
Ik hoop dat jongeren voelen dat er iets échts in mijn boeken schuilt. Of het nou gebaseerd is op ware gebeurtenissen zoals in de Slash-reeks en Het kankerkampioenschap voor junioren of niet, zoals in Oliver. Oliver bestaat niet, maar je moet toch het gevoel hebben dat hij er is, dat je hem even bent als je het boek leest. En zo schrijven lukt me natuurlijk beter als dat waar ik over schrijf blijkbaar ook in mijzelf al een brandje veroorzaakt heeft, als het onderwerp bij mij in de buurt ligt.

gelukvinder-225Of in de buurt van een jongere die iets heeft meegemaakt, zoals in de door jou bedachte Slash-reeks?
Dat idee kwam toen ik werd gevraagd om de Annie M.G. Schmidt-lezing te houden. Eigenlijk wilde ik nee zeggen. Ik vond het toen moeilijk om over ‘de stand van de jeugdliteratuur’ te praten en allerlei meningen te hebben. Aan de andere kant wilde ik, als ik het deed, ook echt wel wat zeggen dat hout sneed.

Dus vroeg ik me af wat er eventueel nog ontbrak in de Nederlandse jeugdliteratuur. Zo kwam ik op het idee om goede auteurs een jeugdroman te laten schrijven op basis van het waargebeurde levensverhaal van een bijzondere jongere. Ik heb alles voorafgaand aan de lezing met Querido en een aantal auteurs doorgesproken en kon daardoor die avond aankondigen dat de reeks er ook echt zou komen. Ik heb zelf, op verzoek van de uitgever, het eerste deel – De gelukvinder – geschreven, samen met die in Afghanistan werd geboren (Boekwijzer: Ramin is de echte naam van Anoush Elman, de schuilnaam die hij sinds hij een verblijfsvergunning heeft niet meer nodig heeft).

Het idee voor het andere boek over een waargebeurd verhaal – Het kankerkampioenschap voor junioren – kwam van jouw goede vriendin Bibi Dumon Tak…
Bibi had in het kader van een jubileum van KiKa een intensieve e-mailwisseling met Roy gehad. Ze zei tegen me: ‘Er moet een boek over deze jongen komen. Ik heb zelf geen tijd en ik weet dat jij eigenlijk ook geen tijd hebt, maar ga hem in ieder geval ontmoeten. Dit is echt zo iemand als Ramin.’

Daarin had ze gelijk; zowel in openheid als in manier van vertellen lijken ze op elkaar. Maar toch, eigenlijk kan ik pas een boek gaan schrijven als het over een onderwerp gaat dat met een of ander draadje met mijn andere werk verbonden is, of waar ik heel erg mee bezig ben. En dat was bij dit boek niet het geval. Dus hoewel het meteen klikte tussen mij en Roy, maakte ik tijdens onze eerste gesprekken de hele tijd voorbehouden: ‘Er zijn zo veel boeken over kanker, dat maakt het niet makkelijker. We moeten het goed onderzoeken.’ ‘Als we het al gaan doen, als jíj het al wil, dan wordt het geen boek over jou, maar over iemand die op jou lijkt.’ We hadden het ook al snel over Een weeffout in onze sterren van John Green.

KKVJ-225Ja, die schreef natuurlijk ook een buitengewoon boek over een kind met kanker. Toch vind ik dit boek nog directer. Was Een weeffout in onze sterren een lastig referentiepunt voor je?
De stem van Roy en de directheid van zijn verhaal zijn heel belangrijk voor dit boek. Het is een uitzonderlijke jongen, hij vertelde zijn verhaal zo open én raakte zelf overtuigd van het feit dat hij alles wilde vertellen: ‘Als ik het doe, dan alles,’ zei hij. ‘Anders heeft het geen zin.’ En dat was precies wat paste bij mijn idee. Doordat we die intentie allebei voelden, zijn we heel diep gegaan. In het totaal hebben we minstens veertig middagen met elkaar gesproken, en als er vijf jaar voor nodig was geweest, hadden we er zo lang over gedaan. Daardoor is het hopelijk een ander boek over kanker geworden dan de boeken die er al zijn. Dit boek is niet bedacht, het is zo echt mogelijk en het is helemaal Roy. Ik heb er niks bij verzonnen.

Heeft Roy zich veel bemoeid met de uiteindelijke tekst?
Totaal niet. Hij zei de hele tijd: ‘Het schrijven laat ik aan jou over, kijk maar of er een boek van komt.’ Pas later begreep ik dat het vertellen zelf voor hem in die fase veel meer van belang was. Toen het boek net af was zei hij zelfs: ‘Ik vertrouw je helemaal, als ik het maar niet hoef te lezen.’ Het stond hem tegen dat hij dan weer terug moest naar de ziekteperiode, terwijl het net goed met hem ging. Maar dat hield hij natuurlijk niet vol, hij zei: ‘Oké, ik ga het lezen, maar pas als ik dronken ben.’ En dat heeft hij op een avond gedaan. In bed, op zijn telefoon. Diep in de nacht stuurde hij me: ‘Yo, zelfs ik denk dat het een bestseller wordt.’ Die reactie was heel belangrijk.
Nu hoop ik van harte dat het boek ook gelezen kan worden door jongeren die niet per se van lezen houden. Dat probeer ik sowieso meer en meer na te streven: dat mijn boeken ook beginnende lezers, of tegenstribbelende lezers overtuigen.

BOEKWIJZER

Terwijl je Roy interviewde, kreeg je eigen moeder kanker. Kwam het onderwerp toen niet te dichtbij?
Dat ik tegelijkertijd met Roy en mijn moeder bezig was, was gek genoeg uiteindelijk heel mooi. Mijn moeder wilde liever niet te veel opzoeken over haar ziekte, ze googelde nooit. Maar als ze dan toch een vraag had, vroeg ze soms aan mij hoe Roy bepaalde dingen zou doen of had ervaren. Na de eerste chemo werd ze bijvoorbeeld niet de eerste dagen, maar pas vanaf de derde en vierde dag heel erg moe en dan vroeg ze: ‘Had Roy dat ook?’
En hoewel Roy en ik het in het begin niet veel over mij hadden – het was voor hem niet van belang dat er wat terugkwam, wat ik heel fijn vond – heb ik het hem wel verteld toen mijn moeder ziek werd. Op een gegeven moment, ik denk dat het rond ons twintigste gesprek was, kwam hij aanlopen – hij is best een beetje stoer – en gooide het spreukenboekje dat ook in het boek is gekomen op tafel. ‘Hier, voor je moeder.’ Dat was prachtig.
Ik wist inmiddels hoeveel dat boekje voor Roy had betekend. Mijn moeder had een vaste zitplek thuis, met een tafel met lades ernaast. Tot het einde van haar leven heeft het spreukenboekje in een van die laatjes gelegen. Zo’n jongen is Roy dus.

Boekwijzer | Edward van de Vendel | Het kankerkampioenschap voor junioren
Het spreukenboekje
Boekwijzer | Edward van de Vendel | Het kankerkampioenschap voor junioren
Het kankerkampioenschap voor junioren, p. 174

Hebben je ouders of anderen je gestimuleerd om te gaan schrijven, of heb je het helemaal zelf bedacht?
Mijn moeder was heel creatief, op allerlei vlakken. Zelf hield ik als kind erg van het luisteren naar muziek – nu nog steeds trouwens – en wilde graag liedteksten gaan schrijven. Vanaf mijn vijftiende heb ik zo mijn talen geleerd; door veel Duitse en Franse liedjes te luisteren. Op de melodieën maakte ik andere teksten, en die stuurde ik dan op naar allemaal beroemde mensen. Daar is nooit iets van gekomen, maar ik was dus best heel ambitieus. Ik keek altijd naar het songfestival en dan ging ik de zangers en zangeressen daarna opzoeken, dat was echt een klus zonder internet. Zo ontdekte ik de zangeres Katja Ebstein en vond uit dat ze ook gedichten van Heinrich Heine zong, Heinrich Heine zijn teksten waren weer ingewikkelder, en zo kwam ik steeds verder. Toen ik later de pabo ging doen las ik gedichten voor kinderen en ontstond de connectie: ik hoefde natuurlijk niet per se liedteksten te maken, het konden ook gedichten zijn. Ik heb er een opgestuurd naar de Blauw Geruite Kiel – het kindertijdschrift van Vrij Nederland – en zij wilden het plaatsen.

Boekwijzer | Edward van de Vendel | Betrap me
Betrap me kwam in 1996 uit

Je vertelt er bescheiden over, maar dat is toch heel bijzonder?
Ja, zeker weten! Ivo de Wijs was toen hoofdredacteur. Hij stuurde me: ‘Deze wil ik kopen en maak ook meer.’ Dat was geweldig. Later bij Querido ben ik eigenlijk ook gewoon uit de post gehaald. Nadat ik een aantal jaar les had gegeven, besloot ik dat ik er iets voor mezelf naast wilde doen en heb ik die oude gedichten opgestuurd. Querido was toen al mijn favoriete uitgeverij. Jacques Dohmen antwoordde met een brief van twee zinnen: ‘Mijn collega’s hebben het nog niet gelezen, maar ik zeg alvast: mooi. Maak wat meer en stuur het op.’ Later mocht ik langskomen, ik dacht om de gedichten te bespreken, maar het was om te overleggen hoe het boek eruit moest komen te zien. Ik was totaal ondersteboven. Ze zeiden meteen al: ‘We geven geen boeken uit, maar auteurs, dus je moet ook meer gaan maken. En niet alleen gedichten, maar ook verhalen.’

En dus moest je heel hard aan het werk?
Al snel bleek dat mijn ambitie groot was. Of ambitie is misschien niet het juiste woord.

Ik denk er een juiste balans ontstond tussen het heel graag willen en intensieve begeleiding. Querido wilde mij als schrijver, dus moest ik meer dingen maken. Ik weet niet of dat nu nog wordt gezegd, maar de vraag: ‘Wat wordt je volgende boek?’ was voor mij erg van belang. Daarnaast was Querido heel streng. Ik werd echt heel heftig, en dus uitstekend, begeleid door Jacques Dohmen. Hele manuscripten werden niet uitgegeven of er werd gezegd: ‘Het idee is leuk, maar je moet opnieuw beginnen.’

gijsbrecht-225In 1999, drie jaar na die eerste dichtbundel, won je al je eerste Gouden Zoen.
Nadat ik twee dichtbundels had geschreven, zei Hanneke van der Hoeven, die mijn eerste boek geïllustreerd had: ‘De Gijsbrecht van Amstel zou er voor jongeren moeten zijn.’ Dat probeerde ik toen maar te maken. Het boek won in 1999 de Gouden Zoen. Die prijs was van grote invloed. Daardoor leerde ik snel veel mensen kennen, ook veel buitenlandse auteurs. Zo ontmoette ik op de Gouden Zoen-uitreiking Per Nilsson. Die was toen al heel groot en net zo aardig. Boeken als die van hem zijn qua sfeer ook van invloed geweest op mijn werk, omdat ze zo volwassen zijn, radicaal voor jongeren kiezen en van binnenuit geschreven zijn. Het jaar daarop won ik met De dagen van de bluegrassliefde nog een keer de Gouden Zoen. Zo was ik, door ongelooflijk veel geluk te hebben, binnen een paar jaar tijd ingevoerd in de wereld van de kinder- en jeugdboeken en wilde ik dus ook méér maken.

Boekwijzer | Edward van de Vendel | Oliver

Je schrijft prentenboeken, dichtbundels, jeugdromans, non-fictieboeken… Wat gaat je het makkelijkst af, en wat vind je juist erg moeilijk?
Dichten gaat makkelijker dan schrijven. Doordat het vanuit de taal komt, denk ik… Het ontstaat vaak vanuit iets kleins: een woord of een beeld. De route naar de plek waar we nu zitten heeft bijvoorbeeld veel met Superguppie te maken. Vanuit mijn huis is het zo’n twintig minuten lopen en dan gaf ik mezelf een opdracht: voor ik aankom moet ik een zin of een beeld bedacht hebben. Zo zag ik iets verderop in de winter een keer een wantje op straat liggen, dat een kind verloren was. In een flits dacht ik dat er een handje lag, dat is een gedicht geworden.

En Oliver was de grootste uitdaging tot nu toe. Dat boek is veel technischer dan ik gewend was. Oliver is bovendien geen denker, althans, hij praat niet over wat hij voelt. Dat maakt het moeilijker voor een schrijver. Én er waren maar weinig facetten die ik herkende uit mijn eigen leven: Het speelt in Noorwegen; daar woon ik niet. Het gaat over gescheiden ouders; mijn ouders zijn bij elkaar gebleven. Hij is profvoetballer; dat ben ik nooit geweest. Allemaal dingen die nieuw waren. Maar uiteindelijk bevat de vriendschap tussen Oliver en Bendik de kern van het verhaal. Als je problemen niet aangaat, als je niet over je grenzen heen gaat, dan lost zich niks op… Maar om dat te kunnen, moet je mensen bij je hebben die het veilig maken. Dat is vriendschap.

Boekwijzer | Edward van de Vendel | Superguppie

Heb je zelf zo’n vriendschap?
Ik spreek veel en met veel verschillende mensen, maar ik ben niet iemand die snel alles laat zien. Dat beperkt zich toch tot een paar vrienden. Onvoorwaardelijke vriendschappen zijn zo belangrijk. Dat vind ik in de boeken van J.K. Rowling ook zo fantastisch. Ik zei altijd dat De gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren wereldkampioen kinderboeken was, maar deel zes en zeven van de Harry Potter– serie zitten daar heel dicht tegenaan. Het kwaad is in die boeken niet zomaar iets, het veroorzaakt echt grote problemen. En terwijl niet altijd goed te onderscheiden is wat nu het echte kwaad is – denk maar aan Sneep, of zelfs Perkamentus – heeft Harry altijd zijn twee vrienden bij zich, hun vriendschap is onvoorwaardelijk en troostrijk. Ik denk dat die boeken daardoor een veel grotere betekenis hebben. Ze geven ons de moed om door te gaan. Ze laten kinderen zien dat het heel moeilijk kan worden, maar dat er altijd mensen naast je staan…

Tot slot, heb je nog een wens, is er nog iets wat je heel graag wilt schrijven?
Boeken als die van Rowling kan en zal ik niet schrijven, maar een boek waar het gevaar voor jongere kinderen groter is dan het tot nu toe in mijn boeken was… Zo’n boek voor tien of elf plus waar je helemaal in verdwijnt… Misschien nog iets meer de fantasie-kant op… Maar ook nog nieuwe gedichten en boeken voor beginnende lezers…
Ik weet niet precies wat het eerst zal komen, dat hangt van zoveel dingen af. Van de mensen die ik nog leer kennen, van de dingen die ik in het buitenland zie, van het mogen samenwerken met grote illustratoren, van het lezen van mooie boeken van fantastische jonge schrijvers als Anna Woltz, Gideon Samson en Simon van der Geest, van het herlezen van boeken van Guus Kuijer, die voor mij boven alles en iedereen verheven is, van het onderzoek naar de dingen die ik nog niet kan, van dat wat kinderen op scholen tegen me zeggen, van films en liedjes, van het toeval en van het leven… Ik hoop gewoon maar dat ik gezond blijf en nooit precies zal begrijpen hoe het werkt, een boek schrijven. Dan weet ik zeker dat ik het zal blijven proberen.

Klik hier voor nog veel meer informatie over Edward van de Vendel.