Miep vertelde me dat Moordenaarskind oorspronkelijk, samen met oorlogsverhalen van onder andere Dolf Verroen, Karel Eijkman, Ida Vos en Wim Hofman, als boek met de werktitel Een andere oorlog uitgegeven zou worden door Uitgeverij Scheffers. Het boek is nooit verschenen en Moordenaarskind bleef in een van de mappen van Miep zitten.
Tot vandaag, gelukkig. 

Moordenaarskind – Miep Diekmann

De eerste keer dat grote kinderen me nariepen: ‘Moordenaarskind!’ was ik pas zes. Ik snapte er niks van. Mijn vader was geen moordenaar. Hij was officier, in een uniform en met een wapen. Met dat wapen schoot hij alleen op de schietbaan, om te oefenen. Het was gewoon zijn vak. Waarom werd ik dan, nog jaren later, uitgescholden voor ‘moordenaarskind’? Ik vond het stom geklets, toen ik eindelijk ontdekte hoe ze eraan kwamen. Thuis had ik iets opgevangen uit de grotemensenwereld. Veel mensen vonden dat een leger in Nederland onzin was. Wij hadden al zo’n driehonderd jaar geen oorlog meer gehad, en we zouden nooit oorlog krijgen, want Nederlanders wilden geen oorlog! Al die officieren, soldaten, matrozen, mariniers… wat moesten we daar dus mee? Dat kostte alleen maar geld, veel geld. Weg met het leger! Ze hadden er zelfs een kreet voor: ‘Geen man, en geen cent’.
Het ergste vond ik dat mijn liefste grootvader er ook zo over dacht. Altijd kwam er ruzie over tussen hem en mijn vader. Ik wist nooit voor wie ik partij moest kiezen. Opa had gelijk, maar ja, die wist niks van een leger af. Hij haatte het uniform van zijn zoon. En mijn vader had ook gelijk wanneer hij opa uitlegde: ‘Als de vijand nu wél ons land binnenvalt? Die vraagt heus niet of we het willen of niet! Moet ik dan mijn manschappen met verouderde wapens, op gammele fietsen tegen een overmacht van tanks en pantserwagens laten oprukken? Alle kans dat die vijand nog een geheim wapen heeft. Jullie met je: in Nederland komt nooit oorlog!’
Vijf jaar na dat geruzie gebeurde precies wat mijn vader voorspeld had. Duitsland pikte andere landen in Europa in, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, Polen. In Nederland moesten alle mannen, jonge en oudere, weer het leger in. Mobilisatie, in 1939. En nog steeds beweerde onze regering via de radio en de krant dat wíj nooit in oorlog zouden raken.
Pech gehad! Ene Adolf Hitler, de machtigste man in Berlijn, had gewoon schijt aan die vredelievende Nederlanders. In de vroege ochtend van de 10de mei 1940 vielen zijn legers ons land binnen, met onder andere dat geheime wapen, waar we niets vanaf wisten: parachutisten. Had mijn vader dat allang geweten? Waar was hij? Ergens in de Vesting Holland, in Den Haag. Nu moest hij ook echt mensen gaan doodschieten. Maar was ik daarom een moordenaarskind?

Mijn moeder, twee zusjes en ik woonden in Ginneken, bij Breda. De spelletjes, die we bij laatste halfjaar gespeeld hadden in de pas aangelegde schuilkelders onder de laan, waren ineens geen avontuur meer. Als we er nu gingen schuilen, zou dat tegen bommen zijn, en niet – zoals vroeger – om stiekem met je vriendje te zoenen. Die dag zouden we met alle kinderen in de buurt weer gaan oefenen, en nu niet voor de lol.
Bommen, wat was dat? Zelfs de andere officierskinderen uit onze laan wisten het niet precies. Ja, in het bioscoopjournaal hadden we soms oorlog gezien. Tegen onze kleinere broertjes of zusjes – wij waren al vijftien of ouder – snauwden we: ‘Schei uit met die stomme oorlogsspelletjes.’ Het was of wíj ineens geen kinderen meer waren. We moesten iets doen, maar wat? Niemand commandeerde ons. Onze vaders waren misschien al gewond of gesneuveld. Onze moeders waren extra inkopen gaan doen voor het geval we moesten vluchten. Als officiersvrouwen wachtten zij liever niet af. Zelfs de vluchtkoffertjes stonden klaar. ‘En letten jullie intussen op de kleintjes,’ hadden ze ons opgedragen.
Op de kleintjes letten, hè ja! Dat moest je als oudste je hele leven al. Dus gingen we weer gehoorzaam met het grut oefenen: rustig de schuilkelder in… geen gekrijs over spinnen en wormen… en áls je in je broek piest!… dat doen echte soldaten niet… jullie willen toch oorlogje spelen?
Dat ik van ‘echte soldaten’ en oorlog niets wist, begreep ik pas op 12 mei. Die ochtend strompelde een soldaat onze laan op, uniform kapot en vies vol bloed, een verband om zijn hoofd. En hij had het in zijn broek gedaan. Ik rook het. Wild zwaaide hij met zijn geweer en schreeuwde: ‘Geen munitie, al na één dag niet meer!’ Huilend gooide hij zijn wapen weg.
Mijn buurjongen Kees, die veel over oorlog las, fluisterde: ‘Hij heeft een shock. Ik neem hem mee naar huis. Hij is natuurlijk zijn onderdeel kwijtgeraakt.’
‘Of hij is gedeserteerd, ervandoor gegaan, de lafaard!’ riep een jongen. Meteen had hij een dreun van Kees te pakken.
De soldaat bleef glazig naar de lucht staren, zijn handen tegen zijn oren gedrukt.
‘Misschien is-ie doof van het kanongebulder en de mortieren,’ zei Tops. Zij was de oudste van de laan – altijd in chique kleren – en vond ons maar niks. Nu hoorde ze er ook bij.
Plotseling was de laan vol lawaai en dat nog wel op pinksterdag. Vanuit de geluidswagens werd omgeroepen dat we moesten evacueren, de stad uit, want de Duitsers zouden Rotterdam en Breda gaan bombarderen.
Onze moeders dromden samen op de stoep en die van Kees riep verontwaardigd tegen de geluidswagen (alsof die er wat aan doen kon!): ‘Dat zijn open steden, dat is verboden volgens de Conventie van Genève.’
Spottend antwoordde Kees: ‘Daar zal die Hitler in Duitsland vast nooit van gehoord hebben.’
‘Bommen, parachutisten,’ mompelde de soldaat.
‘Vertel dan!’ vroegen we. Hij was de enige die wist hoe oorlog echt was. Maar hij schudde zijn hoofd, raapte zijn geweer op en sjokte de laan uit. Vanaf dat moment ging alles razendsnel, zoals in een oude film die te vlug wordt afgedraaid.
Iedereen zijn fietsbanden oppompen; spul mee voor lekke banden; vluchtkoffertje in je fietsmand voorop; deken op je bagagedrager en daar je zusje op; naamkaartjes om en dan richting België.
In die dichte drom van duizenden vluchtelingen kwam je amper vooruit. Telkens moesten we aan de kant voor Franse troepen die Nederland te hulp waren gekomen. Pas op, elkaar niet kwijtraken! Voorbij het Mastbos begon de ellende pas goed. Duitse jachtvliegtuigen, die het op de Fransen gemunt hadden, beschoten ons. We doken greppel in, greppel uit, weer een stukje rijden, weer de greppel in. Vlakbij kantelde een vrachtwagen met vrouwen uit het ziekenhuis, die net een kind aan het krijgen waren. Na weer zo’n beschieting hoorde ik Tops, die naast me lag, gillen. In haar schoot lag het afgerukte hoofd van een man. Voor het eerst zag ik haar met vieze kleren.
Eindelijk kwamen we bij de Belgische grens, maar we mochten niet verder. Daar in de buurt werd een vliegveld steeds gebombardeerd. Al die duizenden mensen moesten in de paniek maar zien waar ze bleven. De paar boerderijen die er stonden, konden alleen zieken en gewonden opnemen, als wij jongeren tenminste eerst de enorme zolders schoonmaakten. ‘Vooruit jullie!’ commandeerden onze moeders, alsof zijzelf officieren waren. We moesten ook controleposten opzetten en noteren wie familie was kwijtgeraakt.
Die warme pinksternacht sliepen we buiten in het bos. De oudere officierskinderen mochten onder een grote verhuiswagen liggen. De eigenaar had gezegd: ‘Omdat jullie zo flink zijn, zo hard werken, jullie kop erbij houden. Tja, jullie weten natuurlijk wat oorlog is met zulke vaders.’ Nou, onze laan was zeker berucht!
Kees fluisterde: ‘Gelul! Zou Breda al gebombardeerd zijn, of pakken ze eerst Rotterdam? Daar liggen de havens en vechten de mariniers. Die krijg je niet zomaar kapot.’
Rondom me hoorde ik mensen opgewonden vertellen hoe verschrikkelijk Duitsers waren: ze aten levende kindertjes op, vrouwen en meisjes werden verkracht. De joodse leraar van Kees’ gymnasium, die jaren tevoren uit Duitsland gevlucht was, zat zachtjes te huilen tegen een boom.
‘Slapen!’ gebood Kees. Hij trok een deken over het hele stel heen. Zo vonden een aantal andere leraren ons bij zonsopgang: meisjes en jongens in elkaars armen. Schande! Zo keken ze, maar niemand zei er iets van. In een oorlog mocht kennelijk alles wat anders verboden was.
13 mei. Honderden vluchtelingen zagen toch kans België binnen te komen. Kees wou ook. Mijn moeder waarschuwde: ‘Dan zitten we tussen het terugtrekkende Franse leger. Je hebt ze toch gezien? En de Duitsers zullen niet ver meer zijn. Zo raak je tussen twee fronten.’
Zelfs grote, vreemde kerels knikten gehoorzaam, zoals ze ook gedwee deden wat ze hun opdroeg: water halen uit de put en zorgen dat het eerst gekookt werd. Mij fluisterde ze in: ‘Als ze niks te doen hebben, maken ze elkaar gek met al die verhalen. Vooral nu het schieten dichterbij komt.’

In het begin van de middag, 14 mei, kwamen ze. Duitse tanks, Duitse officieren, die vertelden dat we naar huis konden. Nederland had zich overgegeven. Ze zeiden er niet bij dat het pas gebeurd was, nadat om halftwee Rotterdam gebombardeerd was.
Over de smalle berm, die de tegemoetkomende Duitse tanks voor ons overlieten, sjouwden we terug naar huis. Zo nu en dan moesten we onze fiets over een dode Franse soldaat heen tillen. Een paar jongens spuugden naar de tanks, maar de bemanning zat daar hoog in de verte te staren, alsof wíj niet bestonden.
Ons huis, de hele laan was er nog. Mijn moeder had de voordeur gewoon opengelaten, want als de vijand wilde plunderen, gebeurde dat toch wel en dat spaarde ons een nieuwe deur uit! Nog geen uur later parkeerden er Duitse legervoertuigen op de laan. Twee hoge officieren liepen zoekend voorbij.
‘Naar binnen jullie,’ gebood mijn moeder, voordat ze met de buurvrouw op de Duitsers afstapte. Vanuit een legerwagen zwaaide een soldaat naar ons door het raam. Vrolijk zwaaide mijn kleine zusje terug. Ik gaf haar een lel en siste: ‘ Dat is de vijand.’ Mijn moeder hoorde het nog net terwijl ze binnenkwam. ‘Zo is dat!’ zei ze. ‘En die krijgen we ingekwartierd. Als ze bij ons en de naaste buren kunnen , laten ze de andere huizen, die nog leeg staan, met rust. Ik sluit jullie zolang op in jullie slaapkamer. Niks te gesputter en te wáárom!’
Pas toen we met boeken, spelletjes en een po achter slot en grendel zaten, zei mijn jongere zusje: ‘Als ze de deur nou intrappen? Gaan ze jou en mij dan verkrachten?’
‘Ik ook, ik ook! ‘ jengelde de kleinste. Die dacht altijd dat ze tekort kwam.
We hoorden ze de trappen op denderen, naar elkaar roepen, lachen. Ik ging naar het balkon, klom langs het muurtje naar het balkon van de buurjongens – dat deden we ’s avonds vaker, stiekem. Maar nu was het oorlog en mocht plotseling alles.
‘Zitten jullie ook opgesloten?’ vroeg ik Victor en Hans.
‘Nee,’ zei Victor. ‘We willen die rotsmoelen niet zien. Ze hebben Rotterdam plat gebombardeerd, zegt de radio. Hebben jullie als iets van je vader gehoord? Wij nog niet. Kom mee, we gaan de autobanden van de legerwagens leeg laten lopen. Of suiker in de benzine doen.’
We slopen naar buiten, renden de laan uit naar de hoofdstraat. Daar zakten onze heldenplannen meteen in onze schoenen. Zó zag De Vijand er van dichtbij dus uit: jongens, een beetje ouder dan wij, met vervuilde gezichten, die onwennig rondkeken, naar ons staarden tot er een afgebeten Duits bevel klonk. Ze schoten in de houding, sommigen wankelden.
Victor fluisterde: ‘Die zijn vast vijf dagen aan één stuk in actie geweest. Moet je daar zien!’
We liepen naar de winkeltjes aan de overkant Bij de kaasboer was het het drukst.
‘Verrek, die vreten al onze kaas op en die is op de bon,’ riep Hans kwaad.
‘Die soldaten betalen er wel voor,’ zei ik. ‘Ze kunnen het ook zo pakken, want zij hebben de oorlog gewonnen. Dat weet de kaasboer ook. Wat moet-ie anders? Misschien hebben ze in Duitsland wel de sterkste wapens, maar daarom geen eten genoeg. Daar was geen geld voor. Ik ga naar huis, ik heb honger.’
Onverwacht hield een vreemde hand een homp kaas met een dikke laag smeerkaas erop voor mijn gezicht. ‘Hunger?’ hoorde ik.
O ja, ‘hunger’ in het Duits was ‘honger’.
‘Als je maar niet denkt dat wij hier hongerlijden,’ snauwde ik.
‘Verziehung!’ mompelde de soldaat.
‘Wat zegt-ie?’ vroeg Hans.
‘Zoiets als: neem me niet kwalijk. Dat hebben ze zeker ook gezegd toen ze ons land binnenvielen.’ Ik was razend en wist niet goed waarom. Die soldaat was aardig en beleefd geweest en ik had onbeschoft gedaan. Hij was ook maar op bevel hiernaar toe gestuurd.

Bij huis liep ik gewoon de voordeur binnen. Het standje van mijn moeder liet me koud. ‘Ik wil niet meer opgesloten zitten,’ protesteerde ik. ‘ Onzin! Het zijn gewoon jongens. Ze kunnen niet meer op hun benen staan en ze hebben honger.’
Moedeloos haalde mijn moeder haar schouders op. ‘Ik weet het ook niet meer,’ begin ze aarzelend. ‘Die jongens hier durven niet eens in de schone bedden te gaan liggen. De meesten hebben nog nooit een badkamer gezien. Ik heb ze alles moeten voordoen. Hun luitenant wil niet eens dat ik iets te drinken voor hen maak. Maar ik dacht: als vader krijgsgevangen is gemaakt, wordt hij misschien ook goed behandeld.’ Na al die dagen dat ze zo flink was, werd ze ineens één hoopje huilen. Vlug veegde ze haar ogen droog toen de luitenant en een soldaat – met armen vol broden en etensblikken – de gang in kwamen.
‘Laat maar, ik help wel.’ bood ik aan. Ik ging de soldaat voor naar de keuken.
Boven gilde mijn kleine zusje: ‘Ik moet poepen. Ik wil eruit!’
De soldaat schoot in de lach. In een vreemd soort Nederlands vertelde hij dat hij thuis ook een klein zusje had. Al had ik maar één jaar Duits op school gehad, onverwacht praatten we tegen elkaar. Hij heette Dieter, woonde bij de grens, sprak daarom wat Nederlands. Hij had ook gymnasium. Bij ons hing een kruisbeeld, bij hen thuis waren ze ook katholiek. Misschien mocht-ie gauw naar huis schrijven dat alles goed was.
Alles goed? Tot nu toe! dacht ik. Jij moet verder, naar Frankrijk. En als de Fransen samen met de Engelsen winnen, kun jij misschien nooit meer brood snijden voor je slapies. Het was of ik hem in Frankrijk zag liggen doodbloeden. Op dat moment liep de luitenant, die ons strak in de gaten had gehouden, naar de voordeur.
‘Scheisz Krieg,’ mompelde Dieter.
Rotoorlog, zei hij dat echt? Geloofde hij ook niet dat ze zouden winnen. Daar werd ik op slag zo vrolijk van, dat ik heel vals voorstelde: ‘Schrijf je me hoe het allemaal gegaan is? Dat is goed voor mijn Duits.’ Natuurlijk, je moest de vijand haten, maar toch…
Er kwam nooit een brief. Duitsland overwon het ene land na het andere. Mét Dieter of zonder hem?

De vaders van onze laan kwamen vroeg of laat in 1940 weer thuis. De oorlog was voor hen voorbij, ze waren hun baan kwijt. Hun uniformen werden, met mottenballen, opgeborgen in hun legerkisten. Nu liepen ze in ‘civiel’, hun burgerpak, over de laan. Hoe rottig het voor hen ook was, voor mij was het net of met de uniformen ook het scheldwoord ‘moordenaarskind’ voorgoed in de mottenballen opgeborgen was

© Miep Diekmann